donderdag 29 december 2011

Dichterscafé december 2011

Dichterscafé december 2011 - Onderwerp:
Het einde van het jaar en een nieuw begin/jaar

Gedichten van deze bijeenkomst:
Verschillen door Jan van Laar
Het jaar door Sieth Delhaas
2012 door Twan van Dijk
Spoorloos door Herman Posthumus Meyjes
Compensatie door Wim van den Hoonaard
Kerst-mis(s) door Wim van de Hoonaard
Oud naar nieuw door Dick Smeijers
Que sera door Alfred Bronswijk
Stil even ! door Alfred Bronswijk
Al mijn hier en nu door Martin Walton
Doorgaan door Willem Nieuwenhuis

Verschillen

Er waren eens twee vrouwen,
een rooie en een blauwe,
de rooie was verkouwen
en de blauwe had de hik.
Twee boeven moesten hangen,
een stoere en een  bange,
de stoere werd gevangen,
maar de bange had geluk.
Er waren eens twee buren,
een vreemde en een zure,
de vreemde zat te gluren
tot de zure riep: kijk voor je!
Twee dominees uit Dalen,
een grijze en een kale:
de grijze wou garnalen,
hij wou een portie halen,
en die dan zelf betalen!
maar de kale wilde bier.
Ook dichtertjes verschillen,
maar drukke en zelfs stille
versieren met hun grillen
elke dag van twintig twaalf.

Jan van Laar

Het jaar

Mijn tijd
Zijn tijd
het wordt verleden
Ik ga verder
Pak het volgende
Mijn nieuwe jaar
Niet ik word oud
het zijn mijn jaren,
die één voor één,
zwaar van dagen,
zich zelf ten einde leven
Voor mij de herinneringen,
die mij doen worden
tot wie ik tenslotte zal zijn.

Sieth Delhaas

2012

ik moet u gaan verlaten
zei het oude jaar
2012 komt er aan
ik heb het bijna achter de rug
en nog maar eventjes te gaan
ik kijk nog een keertje terug
ik zal nog voor de laatste maal
nog even met u praten

2011 een jaar voor mij
met hoge toppen
en diepe dalen
met overwinningen
met falen
ik koester de momenten
weer mens te zijn
niet opgesloten in een cocon
en levend in een waas
want
voordat je het weet
is het jaar alweer voorbij

op de drempel van een nieuw begin
voel ik mij verlaten
en sta ik weer bij af
ik laat u nu alleen
2012 neemt het over
hij begint met goede moed
als u maar een heel klein beetje
van 2011 heeft geleerd
dan komt het allemaal
heus wel weer goed
en heeft het leven zin.

zo ziet u maar weer eens
verdriet en blijdschap
liggen heel dicht bij elkaar
daarom wens ik jullie allen
ondanks mijn vertrek
een heel gelukkig en gezond Nieuwjaar.

Twan van Dijk

Spoorloos

Ik had graag spoorloos willen leven,
zodat het water achter mij
zich bijbels sloot, de lucht rondom
de strepen wiste en het licht
niet dimde of schaduw wierp opzij.
Ik had mijn voetstap graag verborgen
en naadloos met het zand vermengd,
de geur verdoofd en lichaamswarmte
laten verwaaien op de wind,
mijn stem tot fluistering verengd.
Het liefste had ik meegemaakt
dat ik hoorde “ja, eens was hij hier,
een enkeling herinnert nog,
maar het is te lang geleden, bewijs
ontbreekt en niets staat op papier”.
Maar ik weet dat één er is die weet,
en aan den lijve heeft ervaren
dat ook de lichtste toets naspeurbaar
blijft en aan te wijzen valt
tot in de lengte van haar jaren.

Herman Posthumus Meyjes

Compensatie

denkend dat
een sleur
hem slecht
verlicht

doet hij
een deur
achter zich

dicht

Wim van den Hoonaard

Kerst-mis(s)

Ik had je graag nog willen zeggen
terwijl jij ‘t wist dit uit te leggen
dat het leven zweven  is
als het leven geven is
maar wat jammer
dat je langsliep
toen ik langsliep.

Wim van den Hoonaard

Oud naar nieuw

een jaar in pennenstreken
neergeschreven
maakt indruk voor hoelang
de lijnen uit verleden
komen toekomst tegemoet
spanning blijft in ons
bestaan
en hoop op beter
houdt ons in beweging

door weer en wind gevormd en
nauwelijks te harden
in winter en in zomertijd
zo soepel en zo speels
en van zo vele vormen
dat levenslust zijn weg kan
gaan
zo hoop je
in de barre uren
het hoofd en hart steeds in
balans
te houden dwars door
het ritme van de tijd

het einde van het jaar
is weer in zicht
de dagen worden korter …
en verlengen
de tik tak van de tijd gaat
ongestoord zijn gang naar
broze uren van de kentering.
hoe sta ik stil
in de beweging van de dagen
mijn kloppend hart
heeft moeite met het ritme
en de balans slaat door.
bezinning is zo zeldzaam
het evenwicht hersteld
met moeite ga ik verder.

Dick Smeijers

Que sera

Een kindervinger tekent op beslagen ramen
de runen van het eeuwig “que sera ?”.
Daar, op het éne, laatste raadsel na,
geeft het al tastend droom en wens hun eigen namen.
Het weet zich vol van toekomst, wachter op de muren,
een torenspits die speurt naar wat er komt.
Oneindigheid had zich in hem vermond
tot mateloze speeltijd zonder ooit blessuren.
De tijd heeft nu aan hem zijn werk gedaan.
Verborgen is het lang voorbije kind.
De wachter slaapt. De torenspits, omrankt door mist.
Maar desondanks blijft het verlangend staan,
dat eens zijn droom in hem bestemming vindt
en aloude tekens nooit voorgoed zijn uitgewist.

Alfred Bronswijk

Stil even !

Neem de tijd om te denken -
gedachten zijn de weg naar de wijsheid.
Neem de tijd om te voelen -
gevoelens weerspiegelen het diepste  van jezelf.
Neem de tijd om dankbaar te zijn -
dankbare mensen zijn de ozonlaag
van de maatschappij

Alfred Bronswijk

Al mijn hier en nu

Al mijn hier en nu
is nergens en nooit
zonder toen en daar
En ergens en ooit.

Martin Walton

Doorgaan

Er komt een trein voorbij,
stopt, maar hij zal doorgaan ,
brengt mensen waar ze willen zijn.
Droef en blij trekt ons voorbij,
het leven wil slechts doorgaan,
dat we mogen genieten o zo fijn.
Er is een kalenderjaar voorbij,
daarom mijn groet voor we doorgaan
naar een tijd vol vrede zonder pijn.

Willem Nieuwenhuis

woensdag 30 november 2011

Dichterscafé november 2011

Dichterscafé november 2011 - Onderwerp:
Het leven is vurrukkulluk

N.a.v. het themaboek van Remco Campert: 'Het leven is vurrukkulluk!' van de actie Nederland Leest!

Gedichten van deze bijeenkomst:
VURRUKKULLUK door Benne Solinger
Het Leven is Vurrukkulluk door Michiel van Hunenstijn
tlevunisvurrukkulluk door Wim van den Hoonaard
Zonder titel door Klarie Veerman
Zonder titel door Dick Smeijers
Ode aan de nacht door Sieth Delhaas
Worteling door Juliane Amsberg
Waaggebouw door Alfred Bronswijk

VURRUKKULLUK

Jij Raphaël
Daar zat jij,
solide met kippa,
hard werkend.
Een rots gelijk.
Slechts 1 klein verzoek en
de rots verplaatst zich,
vriendelijk, ingetogen.
Je begreep, voelde in
kwam in beweging
maakte ruimte
en straalde.
Mooi gebaar!
Ik legde uit
we spraken,
luisterden,
er ontstond een klik.
PRACHTIG,
menselijk,
zoals dat kan,
maar vaak niet gebeurt.
Toen je gedicht:
‘ik benne’,
Raphaël, ik dank jou
als pracht mens!
Een schepsel van God.

Benne Solinger

Mijn gedicht als antwoord op het gedicht dat Raphaël Helstone (een voor mij wildvreemde man) die, toen wij als familie in Restaurant Engels te Rotterdam napraatten over de begrafenis van onze vader, mij toestuurde. Hij zond mij een mailtje met een hartelijke groet, zoals rabbi’s dat doen.

Het Leven is vurrukkulluk

Kijk daar zit Michiel van Hunenstijn
aan tafel met z'n rug naar het raam.
Hij schrijft een gedicht, z'n bril heeft hij afgezet
en z'n glas wijn heeft hij bijgeschonken.

'Het leven is vurrukkelluk' staat op het papier.
Soms klopt dat, dacht Michiel van Hunenstijn,
als het leven lekker liep, dan klopte het wel.
Als de hele bliksemse boel een beetje liep
ja dan kon het leven wel vurrukkelluk wezen.

Ik zie het papier van Michiel van Hunenstijn
vol met krassen en met strepen,
zijn bril heeft hij weer opgezet.
Het lamplicht zet hem eenzaam in een stolp.
Hij neemt een slok en hij zet weer een streep.

Van buiten af zie ik hem
weerspiegeld in het glas.
Het glas is thermopane:
ik zie hem dubbel, is hij niet alleen?

Daar zit Michiel van Hunenstijn.
Z'n wijn smaakt wrang, en z'n gedicht vlot niet.
Het leven is niet altijd vurrukkelluk
en het is niet altijd fijn
om Michiel van Hunenstijn te zijn.

Michiel van Hunenstijn

tlevunisvurrukkulluk

nu floept ut
dur zomaar uit!

vaak is ut
un schouwtoneel
of een gevecht
zoals u wilt

maar immur
neem ik
muzelluf mee

en

ik kan altijd
lekkur dromun…

ennu ?

Wim van den Hoonaard

Zonder titel

Hoe romig zacht
chocolade-ijs kan zijn.
Grote rijpe kersen,
Zoete witte wijn…

Parelschelpen op het strand.
Snelle fluittoon van een fitis.
Bruine aren, waterkant.
Bloemen van een amaryllis

Een film van Woody Allen.
De stem van Johnny Cash.
Een schilderij van Sluiters
Van Campert een nieuw vers.

Klarie Veerman

Zonder titel

Waar gooit vriendschap hoger ogen
dan morgen aan de rivier
Waar het water ons omringt en toelacht als
een mooi gezicht vanuit de verte.

Dick Smeijers

Ode aan de nacht

Wachter, wat is er  van...?

Overstijgend de geslachten
spreidt zij zich
fluweelzacht over mijn stad,
nestelt zich onder lampen van oudsher
kleedt zich van straat tot steeg 
in wisselend gewaad.

Getuige is hij van uitersten
maar  verraadt niet;
blijft een stille.

Altijd tussen de van de daken schreeuwende dagen
de nacht.

Sieth Delhaas

Gedicht n.a.v. het thema van Gedichtendag 2011

Worteling

Langs de weg geknakte hoge boom
Flarden steken hulpeloos in de leegte
Geen zachtheid meer van beschutting
Geen zoete bedwelmende geur
Sapstroom afgesneden

Alsof alle schepping illusie blijkt
Oerkracht is echter onvernietigbaar
Uit restanten komen steeds meer
Dunne takjes omhoog
Gericht naar het heldere licht
Lieve groene blaadjes
Hoopvol geladen met oneindigheid
Liefde kan eeuwig zijn,

Juliane Amsberg

Waaggebouw

Als van een vaak versneden bruiloftskleed
hangt u uw plooiwerk breeduit tussen oude panden
met wie u zwijgend heimwee deelt naar co-verbanden,
waarmee de stad zich ooit had ingekleed.

In stil verzet tegen verandering
steken arkeltorens en uw gotisch trappenhuis
minzaam hier de draak met elk opdringerig geruis
van al te moderne omkadering.

Uw bordes zag eens bisschop, keizer en oranje.
Nu bent u maatjes met de haringman,
die elk zeezilt visje aanprijst als een lekker stuk.

De Turkse kooplui voeren op de Brink campagne,
terwijl uw vensters spieden naar een span
dat tussen kussen fluistert: jij bent vurrukkulluk!

Alfred Bronswijk

donderdag 27 oktober 2011

Dichterscafé oktober 2011

Dichterscafé oktober 2011 - Onderwerp:
J.J. Slauerhoff

Greet Ahrendt-Dijkhuis geeft een inleiding over de dichter J.J. Slauerhoff en vervolgens wordt het thema ‘Last en lust’ aan de hand van voorbeelden besproken.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Purple Reigns door Maarten Douwe Bredero
Jacob Slauerhoff door Dick Smeijers
J. Slauerhoff door Michiel van Hunenstijn
Jan Slauerhoff R.I.P. door Wim van den Hoonaard
Erbarmen door Wim van den Hoonaard
Doodtij door Alfred Bronswijk

Purple reigns

En als ik dan
weer verder kijk
in licht dat draagt
onze blik
Zien wij een weidsheid
met veel detail
wetend alles heeft
zijn eigen geur

Laat gaan die drang
van nu of nooit
ieder oogsten kan pas
na lange tijd
Zet somber om
in zuiver gebaar
trekkend wolken na
met rode kleur

Want blauw is alom
en o zo sterk
al kent sneller ook
eens jouw grens
Schep samen daarop
een nieuwe sfeer
lopend liever door
bewuste sleur

Maarten Douwe Bredero

Jacob Slauerhoff (1898-1936)

Jouw leven door je lijf getekend
een vlucht naar water en geluk
en overzee geen wortels in de aarde.
Het hier en daar wat vluchtig zijn
was al teveel en baarde
geen blijvend oord in onze streek
de onrust van het water bleef.
Jouw leven door je lijf getekend.

Dick Smeijers

J. Slauerhoff

Nee Slau, er is hier sinds je dood weinig veranderd
in de Deventer dichterssalon leest men
nog immer Vasalis, Achterberg en Nijhoff.
Van Pom zong zelfs een malle kwibus een gedicht.
Nee, nooit ben ik eerder dichter bij een mooie passiemoord geweest.

Slau, je rust in een urn,
in een duin te Driehuis.
En niet op de bodem van de zee
of aan die laatste smalle ree
van hout in zand.

Slau je leeft!
Wij hebben ooit aan de zelfde kade gewoond.
Ook al zat er zestig jaar tussen,
maar we hebben allebei rusteloos langs
hetzelfde Spaarne gelopen
en van verre prinsessen gedroomd.

In Deventer, Slau, leef je nog, is de nieuwe tijd
nog niet begonnen, leer je ze niet kennen:
Het Schuim van Alfred Schaffer
of de Nieuwe Veters van Robert Anker.
Slau, er is sinds je dood hier weinig veranderd.

Michiel van Hunenstijn

Jan Slauerhoff R.I.P.

Ook al had ik kind noch kraai
dan nòg zou ik het niet durven
zó gepakt te worden bij mijn lurven
als 'vaarwel' het leven zwaait...

zou ik zegeningen zóeken
en tel ik mee boekhouders ramen
dan zul je met mij toch beamen
dat ik ook reizen kan in boeken

afhank'lijk van mijn perspectief
neem ik ongemak voor lief
want het leven is soms wreed

daarom vlucht ik in gedicht
vind je 't erg dan als ik zwicht
en met jouw voeten treed?

Wim van den Hoonaard

Erbarmen

Dit gedicht werd
mede
mogelijk gemaakt
Grauw en dof

Door een
dagelijkse p
plicht verzaakt;

lijkt het leven
grauw en dof

lees dan ook eens

Slauerhoff.

Wim van den Hoonaard

Doodtij

de laatste levensfase dient zich in mij aan
mijn schip moet steeds meer zeilen strijken
en vaker nog voor stormen wijken
met ladingen van ooit zie ik mij niet meer gaan

voor mast en tuig heeft nu ook het uur geslagen
dat ik moet kiezen voor een nieuw bestek
en vrachten verstouwen aan mijn dek
om wat nog rest de toekomst in te dragen

nu dan de vloed van jaren is voorbijgegaan
mijn kiel omspoeld door afgaand water
haar koers verlegt van nu naar later

de branding van de jeugd voorbij
geen zee aan loef geen zicht aan lij:
straks zal mijn reizen in stil doodtij overgaan

Alfred Bronswijk

donderdag 29 september 2011

Dichterscafé september 2011

Dichterscafé september 2011 - Onderwerp:
"vertel me het grootste van je leven, vertel me het kleinste"

Heleen Bosma – tot zaterdag 6 augustus 2011 nog de stadsdichteres van Deventer – zal op deze middag centraal  staan met haar poëzie, haar nieuwe bundel Oostenwind, haar stadsdichterschap en haar thema: "vertel me het grootste van je leven, vertel me het kleinste", een zin uit haar gedicht: Levensverhaal.

Gedichten van deze bijeenkomst:
In gebreke door Marianne Sorgedrager-Van Halewijn
Levensverhaal door Alfred Bronswijk
Ik gedicht door Martin Walton
City Poet door Maarten Douwe Bredero
Deventer roept Bloemendaal door Herman Posthumus Meyjes
Levensverhaal Op pad door José Hattink
Levensverhaal Spinsels door José Hattink
A1 knooppunt Deventer door Alied van der Meer
Dagtocht met oostenwind door Alied van der Meer
Pleidooi voor de herfst door Alied van der Meer
September, soms door Alied van der Meer

Vanaf heden is het mooie 'De Brave Broeder' vrij onverwachts gesloten en worden de bijeenkomsten van het Dichterscafé voorlopig op de zolder van de Bibliotheek Centrum gehouden.

In gebreke

De smeltkroes vol herinneringen van de bejaarde vrouw
is omgevallen, bijna leeg. Ze vraagt maar steeds ‘Wie ben je nou’
en ik zeg weer ‘Ik ben je dochter’ en noem opnieuw mijn naam
Ze kijkt verbaasd met grote ogen die dan verdwalen naar het raam

Nog zijn ze open de gordijnen, al rest er amper licht
de schemering belet een ‘weet je nog’ – klein lijkt ze en verstild
O, kon ik nu toch met haar praten van al ons falen, onze strijd
waarom kwam ik te laat in deze luwte en krampt mijn hart van pijn

Nu eindelijk mijn tijd gerijpt is, een echt gesprek nabij
kan ik geen zin meer vinden - ik zwijg bij ons onmachtig samenzijn.

Dan zoen ik haar op beide wangen, haar ogen lichten even op
ze fluistert mild ‘Dag lieve kind’. Alweer vervreemd lacht ze hardop.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Levensverhaal

Tekst wordt nog aangeleverd...



Alfred Bronswijk

Ik gedicht

Als ik een gedicht was,
dan hoefde ik niet te rijmen,
alleen als het zo uitkwam.

Als ik een gedicht was,
dan hoefden mijn regels
zich niet in een regelmatig ritme te voegen
noch mijn verzen in een vaste vorm.

Dan hoefde ik niet te ontroeren
of zo nodig grappig te zijn,
al zou ik daar van genieten.

Ook hoefde ik niet te verschijnen
in een dichtbundel of poëzietijdschrift,
hoewel ik het wellicht leuk zou vinden
om mezelf in druk tegen te komen,
en te zeggen, ‘Hé, die ken ik. Dat ben ik.’

Ik hoefde niet op te treden
op poëziefeesten en nachten van gedichten,
al zou ik waarschijnlijk wel gaan
als ik uitgenodigd zou worden,
maar alleen als het zo uitkwam.

Als ik een gedicht was,
zou dit mij al genoeg zijn,
dat als ik mezelf had voorgedragen
en uitgeklonken was,
dat het even stil zou zijn,
en dat iemand van de toehoorders
zachtjes in een zucht zou zeggen

Ach, als ik maar een gedicht was.

Martin Walton

In de bundel Oostenwind (Groningen: Uitgeverij Passage 2011) van Heleen Bosma las ik achterin (p. 56) dat haar collega als voormalig stadsdichter van Deventer, Jos Paardekoper, eens ‘een spits en komisch pleidooi tegen het als-gedicht’ heeft gehouden. Zelf heb ik moeite met gedichten over het dichten en dichter zijn en wat een gedicht nou is. Ik besloot beide bedenkelijkheden met elkaar te verbinden, in de hoop dat een dubbele bedenkelijkheid zou werken als een dubbele negatie.

CITY POET

Events echo on specific days
caught in your mind now set on fire
You map and promote a given talent
while people read, universally admire

For the written word subjects passing time
since printed ideas surpass an oral fashion
Like twigs carefully nestled by some mother bird
although any composition limits other expression

And soon enough a manly person does come along
claiming newly plus shocking interpretations
thus changing the mode, seemingly strong

So be not surprised thy profound frozen flair
will recede in our fostering memory
as if purposely diluted into fragile air

Maarten Douwe Bredero

HET GROOTSTE, HET KLEINSTE oftewel DEVENTER ROEPT BLOEMENDAAL

                                                                                 Vertel me het grootste
                                                                                 in je leven, de spanwijdte
                                                                                 die jij in tijd en ruimte bestrijkt …..
                                                                                 Vertel me het kleinste
                                                                                 en daarvan de details …..

                                                                                 Heleen Bosma, 
                                                                                 “Oostenwind, Deventer gedichten”  (2011)

Ben ik die jongen aan het strand
van Bloemendaal, kort voor de oorlog,
die met een stok een lijn trekt
en zegt: aan deze kant is het leven
en aan die kant de dood,
en ik woon aan deze kant?

Maar een lijn in het zand
is slechts een kleine barrière,
je springt er zo overheen.
Dat wist ik toen ook al.
Ik wachtte tot de vloed kwam
en de lijn uit zou wissen.

Ik denk niet dat ik toen al wist
dat het verschil tussen beide zó gering was,
zo wisbaar door zwakke golven,
maar ik sprong wel heen weer,
van het ene been op het andere,
en ik riep: “hier, daar, hier, daar”.

Ik wist dat het leven groot was,
en de dood klein, of misschien ook andersom,
dat zou nog moeten blijken.
En dat het zich zou afspelen op dat strand,
waar het zand in de diepte donker en zwaar was
en aan het oppervlak licht, van kleur en gewicht.

Op de achtergrond rolde de branding --
over groot gesproken.
Dàt was pas een scheidslijn,
een verschil tussen leven en dood.
Ik klampte mij vast aan de strandpaal,
daar op dat strand van Bloemendaal.

Herman Posthumus Meyjes

Levensverhaal Op pad

Je begint met niets
maar er komt altijd iets
stap voor stap
wankelend begin je
je gaat op pad
of je kiest je weg
hobbels worden genomen
of niet, elk pad is anders
je merkt het aan de tred
als je goed oplet
soms zie je niets
maar er is altijd iets
het is er allemaal
soms afgedekt
zoek, of zoek niet
ieder baant z’n eigen weg
je begint met niets
maar er komt altijd iets

José Hattink

Levensverhaal Spinsels

Warm, simpel en klein
fijn, krassen op papier
kopvoeter hier, spelen en nog eens spelen
met zovelen, dit blijft niet zo
o, we gaan de grotemensenwereld binnen
vele zinnen, kennis en indrukken
gaat zeker lukken, geen keus
is de leus, voor velen een verademing
niet gering, gedachtenspinsels dwarrelen voorbij
alsof ik brei, een patroon voor een jasje
met of zonder pasje?, is het warm genoeg?
wat ’n gezwoeg, ach het maakt niet uit
wat ik besluit, zoveel klanten kan ik op
is dat top? Onnodige ballast
zit ik er aan vast? Ik moet naar die spinsels toe
maar hoe? Het ontwaren van de draden
laat me raden, één voor één trek ik eraan
en blijf doorgaan, eerst de pas
dan de jas, verder trek ik het uit
…tot de bol
… wol
warm, simpel en klein

José Hattink

A1 knooppunt Deventer

1.
Weggaan is
een cowboy
gepoetste schoen    
gestreken strop

rechtsaf omhoog, iet wiet waait los
overal verte, water, bos

het land ligt leeg, het hoofd laat vrij
‘Hallo wereld, hier komen wij!’


1.
Terugkeer is
een knieval
knoestige moeder
roestige sleutel

de geur van onze eigen gang
aardappelmandje, oud behang

is prompt vergeten waar we staan
en omvallen en slapen gaan.

Alied van der Meer

Dagtocht met oostenwind

Wacht rustig af, hij komt:
Oostenwind, alledaagse dinsdag, strakblauwe lucht.

Aarzel niet, fiets zuidwaarts de stad uit.

Na twee kilometer draait u zich om
De zon boven u staat stil. Paf.

De rest van de wereld duwt
een muis over een scherm
een spijker in de muur
een lepel in een hongerig kind.
Maar u ziet het: voor u schuift
onverbiddelijk, elegant, blind
over een lopende band
de complete Europese inboedel
door het rivierenland:
koelkasten, hout, vlees, gewapend beton, op drift geraakte schokdempers, uitlaten, banket.

U denkt:mijn hemel, zo gaat het, zo gaat het dus
en zo gaat het inderdaad.
Dit is Europa
voortsnellende ruis
verpakte drift.

De zon schijnt
de paarden kijken de andere kant op
u bent de enige die het ziet.

Alied van der Meer

Pleidooi voor de herfst

Locatie: Zwarte Dennen, Staphorst,
Project: Overal in Overijssel

Hier moet je zijn
hier moet je wezen
hier kun je de herfst
blad voor blad lezen
Van groen naar geel
van geel naar rood
alles valt en dwarrelt
alles gaat hier prachtig dood

Knollen, bollen en boleten
eekhoornbrood en elfenbank
zie je zich ten gronde vreten
stuiven rond in eigen stank
De beuk steekt groen en geel de kroon
naar een lucht lichter dan blauw
een laatste staaltje kunnen
voor de tijd van rot en rouw.

Straks stort alles heerlijk in
herfst dondert, raast, verkilt
eindelijk zichzelf genoeg
vervalt, verwaait, verstilt
Blijf dus staan, geef op de strijd
kijk hoe herfst zich tooit
onthoud tenminste dit altijd:
-een zomer kan in ‘t water vallen-
 herfst mislukt nooit!

Alied van der Meer

September, soms

Zo stil is alleen september soms
zo roerloos oud
en goedgemutst

Niemand heeft plannen
of steekt de straat over
als dat niet hoeft

Achtertuinen  zacht, slordig, per ongeluk
slechts kleine bedoelingen, bramen
open ramen
iemand in een kamer zingt prachtig vals
bosje sleutels aan buitendeur, achteloos
kat likt water van groot, groen blad
spinnen, wespen, vergeten dameslectuur

Niemand heeft iets in de gaten
iedereen blijft

Er is oogst
Er is stilte
Er is september

Er is een witte vliegtuigstreep                                            

Alied van der Meer

woensdag 31 augustus 2011

Dichterscafé augustus 2011

Dichterscafé augustus 2011 - Onderwerp:
Stadsgedichten

Gedichten van deze bijeenkomst:
Deventer door Benne Solinger
Deventer door Dick Smeijers
Groeten van de Deventer markt door Herman Posthumus Meyjes
Nieuwe Deventer stadsdichter door Michiel van Hunenstijn
Lebuïnus door Alfred Bronswijk
Sale door Alfred Bronswijk
Tuinfeest door Twan van Dijk

Deventer

Wij liggen aan de IJssel,
jij en ik.
Jij groot en majesteitelijk,
ik  loom
en op jouw  gras.

Ik wandelde in jou en
werd verliefd
op schoonheid, kunst, geschiedenis
jouw  groen,
en stromend water.

Fraaie oude Hanzestad,
Deventer,
mijn hart versnelde zich door jou!
Intens
geniet ik van je.

Ik wil je twee jaar dienen,
als poëet!
Je behagen met gedichten,
zo puur,
je echt beminnen.

Benne Solinger

Deventer

De stad komt naar me toe met al haar straten
De roepstem van de muren
ga ik voorbij, een luister …
een nieuw verhaal vertelt zich verder
de vreugde van de weg verstaat men hier
als geen ander, mijn eigen grond
waarop ik wonen wil, en sterven nu
voor later dan de klok mij aanwijst
de mooie vrouwen van weleer duiken weg achter de ramen
het feest is in de stad begonnen, en doet haar ronde
door alle straten en over pleinen van verdriet en pijn
ik kom je tegen in een hoek van weer en wind
waar waterstromen reeds hun weg hebben gevonden
de torenklok heeft het geluid nog niet vernomen.
Ik wacht geduldig af totdat ze spreken zal.

Dick Smeijers

GROETEN VAN DE DEVENTER MARKT

Een stadsgedicht

Ik zie de mensen strompelen op de markt,
hun ruggen krom, hun ogen dof, hun armen
door veel te zware tassen uit de kom,
hun tred vertraagd door het ijselijk besef
dat thuis hen veel verdrietigs staat te wachten.
Zij teren zichtbaar op hun laatste krachten.

Ik zou hen in een springvloed van erbarmen
omhelzen willen, drukken aan mijn borst,
en zou hen willen zeggen, als ik dorst,
“verzamel moed, uw laatste beetje lef,
“o, broeders, zusters, laat het hoofd niet hangen,
“wij zijn voor één gat immers niet te vangen.

“Wij zijn met velen, en ik één van u,
“en samen valt er nog wat van te maken.
“Ik deel uw lot en ken uw kwade kansen
“en weet dat in het eindelijk uur 'U'
“geen onzer tegen het noodlot op kan wegen,
“en Circulus zal komen om ons op te vegen.

Maar spaar mij uw lawaai en domme praat,
zo luid dat ik het in het voorbijgaan hoor,
en krimpen moet van schaamte en ellende,
het oog reeds beurs door alle wangedrochten.
En ook die foutief uitgesproken woorden,
waarvoor ik stadgenoten kan vermoorden.

En kom mij niet aan boord met van die vrouwen
die menen het aanzien nog steeds waard te zijn,
en zich afgrijselijk hebben toegetakeld
met tatoeages, piercings, stalen pennen
en ringen door de neus die slechts doen denken
aan plekken waar de slager staat te wenken.

En houd mij ver van zwaar behaarde mannen
met uitgepuilde pensen, bier doorvoed.
Ik zal hen in mijn bidstond niet gedenken
en sluit hen uit van mijn beproefd gemoed.
Ik walg van hun onsmakelijke kleding
als leven zij van aalmoes en bedeling.

Hoe langer ik hier loop, hoe meer ik zie
dat onverteerbaar is en niet te pruimen.
Ik moet de Brink nu op zijn snelst ontruimen,
voordat de wanhoop mij te grazen neemt
en ik, met het huiswaarts pad reeds in het zicht,
alsnog voor het onvermijdelijke zwicht.

Het wekelijks rantsoen is ingekocht
en wat gedaan moest worden is gedaan.
Wat mij betreft, was het weer meer dan raak:
het is zaak dat ik mij uit de voeten maak.

Herman Posthumus Meyjes

Nieuwe Deventer stadsdichter

Nieuwe Deventer stadsdichter belooft spektakel,
kopte de krant. Dichters' portret stond schrap daaronder:
een snor, een grijns met een hoed erop gezet.
Zie hem staan met z'n glas geheven
en met z'n lawaaihemd aan.
Je verwacht warempel nog een alaaf te horen.

Hij wil op zoek naar nieuwe vormen,
dicteerde hij de journalist
en prikkelen wil hij de burger. En bruisen wil hij,
met de dichter zelf als levend bruistablet.
En aan conventies heeft hij lak.
Heeft u dat?

Voor hem geen ivoren toren,
nee, hij wil roepen vanaf de daken
naar de man in de straat beneden,
luister burger, ik ben uw nar
en ga volstrekt mijn eigen gang.
En u moet niet zo onverdraagzaam wezen,
mijn maag is zwak, ik kan daar heel slecht tegen.

Het vaatje waar ik uit tap is bol, dat is mijn klankkast.
Ik brul daarin, en geniet dan van het ronken en de galm.

Maar wees gerust, mijn hart is klein, ik ben geen bijl.
De bescheiden bladerpracht van de reine berk kan mij zeer ontroeren
en de ook de IJssel brengt mij regelmatig van mijn stuk.
Maar als u mij nu wilt excuseren, uw dichter moet nu naar de bank.

Michiel van Hunenstijn

Lebuïnus

Hier stroomt het water, breder, dieper
rond  de schouderbladen van het land.
Een brug rekt zich naar de overkant
en onbewogen, alsof riep er

iemand vanuit de oneindigheid,
mediteert hij. Klokken in hem slaan:
wil tot het einde der aarde gaan,
ik zal met u zijn in eeuwigheid.

Zwijgend spreekt hij rondom pleinen aan
vanuit een verleden zinsverband.
Terwijl de veerpont hekgolven snijdt

zingt een kind zich boven alle tijd
van witte zwanen en engelland,
van sloten die ooit weer open gaan.

Alfred Bronswijk

SALE

De stad is overvol van wil en wensen,
die zich vertalen in omkoopbare realiteit
en spiegelruiten, waarachter uitgebreid
de summersale zich prostitueert aan mensen.

Haar taal herdefinieert verlangen
in de artikelen, de ongehoorde kansen, die
in elke kledingzaak of parfumerie
met hun schaamteloos ontblote prijzen lonkend hangen.

Maar wie of wat verkoopt zich hier aan wie?
Dingen zijn het summum van begeren.
Waar zijn in hebben wordt omgebogen,

de waarheid in cijfers weggelogen
tot zwaartekrachten, niet meer te keren,
gedijt de toonbank bij a-symetrie.

Alfred Bronswijk

Tuinfeest

het Tuinfeest
niet alleen een stortvloed van woorden
ook de regen liet zich niet onbetuigd
dichters uit het hele land
soms saai, soms spannend,
soms verrassend, soms heel leuk
Anne Enquist, voetbalfan
Eva Gerlach, mijn God wat saai
Ted van Lieshout, heel erg leuk
Daar lag ik echt van in een deuk
Dan met zijn typische hoge nasale stemgeluid
op melodieuze wijze zijn eigen eigenwijze teksten
voordragende Gerrit Komrij
het kwam allemaal voorbij
de nieuwe stadsdichter werd bekend
waar de jury unaniem voor koos
ik heb hem gezien
ik heb hem gehoord
hij noemt zich de nar van Deventer
het lijkt mij wel een leuke vent
deze Lammert Voos

het Tuinfeest
de dag voor de boekenmarkt
meestal uitverkocht
maar ik zal haar eens verrassen
mijn relaties opgezocht
de kaarten toen geregeld
helaas pleegde zij verraad
stond ik alleen
ik twijfelde
moet ik er nog wel heen?
maar uiteindelijk toch gegaan
al was het alleen maar voor Heleen

haar afscheid viel letterlijk in het water
het kan verkeren zei Bredero
dus laten we het maar zo?
nee, nee, nee  dat doen wij dus niet
Heleen Bosma
dichteres van deze stad
de beste die wij
de afgelopen 2 jaar hebben gehad
oké, oké
we hadden er maar een
maar het was wel onze Heleen

met de gave van het woord
schreef ze over buurtschappen
waar ik zelfs, als Deventernaar
nog nooit van  had gehoord
dus doe ik hier
wat ze daar waren vergeten
ik zeg je dank
Heleen Bosma,
schrijver, dichter, avonturier

Twan van Dijk

donderdag 28 juli 2011

Dichterscafé juli 2011

Dichterscafé juli 2011- Onderwerp:
Leichtigkeit

Gedichten van deze bijeenkomst:
Soms door Herman Posthumus Meyjes
Een vogel door Herman Posthumus Meyjes
Bach door Jos Paardekooper
Dichterscafé door Marleen van Joolen
Heldenmoed door Olivier Rensing
Hole in One door Twan van Dijk
Lázaro Babalú Ayé door Casper de Jong
Leichtigkeit door Wim van den Hoonaard
Zonder titel door Martin Walton

SOMS

voor Brendalin S.

Soms heb je iets begrepen
terwijl het nog veel te vroeg was om iets te begrijpen.
Soms heb je iets zien schemeren
terwijl het al veel te laat was om van schemer te kunnen spreken.
Soms heb je iets vermoed
terwijl je helemaal de moed niet bezat om iets te vermoeden.

Soms heb je iets gehoord
terwijl zij te ver verwijderd was om gehoord te kunnen worden.
Soms heb je iets gevoeld
terwijl zij zich zo schuil hield dat je helemaal niets kon voelen.
En soms heb je iets gezien
terwijl zij je zo aankeek dat je niets terug kon zien.
                                                                                                 
Soms heb je haar aangeraakt
terwijl het een te lichte aanraking was om te herinneren.
Soms heb je haar aangekeken
en zag je de hele volgende dag niemand anders voor je
en soms zag je haar silhouet
terwijl je dacht 'dat is het silhouet van iemand van wie ik wel vaker  
                                                        [het silhouet zou willen zien'.

Soms heb je haar ontmoet
terwijl zij haar raampje voor je naar beneden draaide
en toen had je ook zelf
je raampje naar beneden willen draaien.                                                                                                
En soms zag je een ree of een wipstaartje voorbij komen
terwijl je heel goed wist dat daar geen reeën of wipstaartjes
                                                                       [rondlopen.

Soms ontmoet je haar
terwijl je weet dat, als het er op aan komt,
je geen woorden zult hebben
om haar te zeggen 'dit is een ontmoeting' --
en dan laat je haar een oude Ierse dorst lessen
terwijl je heel goed weet dat dorst uiteindelijk niet te lessen valt.

Soms … soms … soms ...
en daarom schrijf je maar een gedicht.

Herman Posthumus Meyjes

Een vogel

n.a.v. Het gedicht “Een Koraal” van Rutger Kopland

Weten wij van wie wij dit alles hebben geërfd?
Van de ontelbaren die ons voorgingen,
van de dichters en de piramidebouwers,
van de orgelspelers en van ieder die doelloos zwerft,
van allen die hun naam
in de bast van de geschiedenis
       hebben gekerfd.

En weten wij dat wie niet omkijkt aan blikveld derft,
omdat alleen wie terugblikt vooruit kan zien?
Vraag het de man met de kwast die een lijn op het wegdek verft,
zorgvuldig het midden van het pad opmetende
en borden stellende om ook zelf niet te verdwalen --
en die de vederlichte vogel vindt
       die sterft.

Herman Posthumus Meyjes                                             Puy Bascle, 22 juli 2011

Bach

Koppig zijn muziek als donker bier,
op het tomeloze af tarten zijn
passies de zwaartekracht, maar
lichtvoetigheid is ver van hier:
alles ademt absolute macht,
nadert tot god en vorst -
dit is het voorspel van het avondland.

Jos Paardekooper

Dichterscafé

Woorden vloeien samen
in poëtische regels
spelend als muziek
in het gehoor.
Het gevoel van de poëzie
laat herinneringen
tot leven  komen
ze geven een onnavolgbare betekenis
aan deze mooie woordenstroom.

Als instrument heeft de dichter
de creatieve soepelheid
om zijn woorden zo te bespelen
dat je langzaam afdwaalt
in een hartverwarmend gevoel.

Marleen van Joolen

Heldenmoed

Er was eens een meisje
Lopend langs water
In het water
Lag een kater
Die niet goed zwemmen kon

Meisje aarzelde geen moment
En belde 112
Kater gered
Meisje zoet
Kreeg eremedaille
Voor heldenmoed

Maar niemand wist
Kater lag niet in water
Toen meisje daar voorbij liep

Kater belande in water
Omdat meisje met kleine Peter
Had gewed om poet
Wie als eerste kon behalen
Een medaille voor heldenmoed

Olivier Rensing

Hole in One

mijn naam is Twan
ik sloeg de bal zo hard en hoog
dat die om de wereld vloog
hem niet meer heb gezien
tot ik hem terug vond op de green
het was een hole in one!

Twan van Dijk

Lázaro Babalú Ayé

‘De oude Lázaro ging zijn hond begraven’,
begon het gedicht dat ik vandaag zou schrijven,
maar al gauw begonnen gedachten af te dwalen,
naar plekken die ik bezocht en gekend heb,
maar die ik me niet herinneren kon,
terwijl ik er toch iets gevoeld of gedacht moet hebben,
iets van mededogen misschien, solidariteit,
om wat ze daar hadden te verdragen, hoe de stilte,
waar iedere plek toch recht op heeft, achteloos werd aangetast,
ik zou me er nog over kunnen opwinden,
als ik het niet allemaal vergeten had
en als me het niet verder afgeleid zou hebben
van het gedicht dat ik zou schrijven
over de oude Lázaro die zijn hond begroef,
kan ook een kat geweest zijn, daar wil ik af wezen,
om kort te zijn, de oude Lázaro was bedroefd en dan ging hij drinken,
eigenlijk was hij iedere dag bedroefd,
maar waar het over had moeten gaan in dit gedicht, daarover ging het niet,
Lázaro zou het me wel vergeven,
want als er één is die het falen kent van onze soort….
hij zou eigenlijk de oude Milka eens moeten ontmoeten,
om samen te roken en te drinken,
Lázaro vanwege dorst en Milka voor de gezelligheid,
uren ouden ze kunnen zwijgen
en met hun stilte de plek respect bewijzen,
want oude mensen weten hoe het hoort als ze in een gedicht op een plek zijn
aangekomen….
als mijn gedicht hun plek zou wezen,
dan is het vandaag toch goed gegaan,
dan heeft de oude Lázaro iemand ontmoet, in plaats van een hond begraven,
en hef ik mijn glas dat ik er bij mocht zijn.

Casper de Jong

'Leichtigkeit'

Als ik door een wijze van leven
een deel van de zwaarheid vind
even 'wichtig' als oneven
de tekening zie van een kind
met vrolijkheid en grappen
nadat de juf vanwege de dood
maar eens op moest stappen
dan begin ik iets te snappen
van wat het kind-zijn bood;
dat is die Leichtigkeit -
als redder in de nood.

Wim van den Hoonaard

Zonder titel

Volgens hemzelf was Jan Arends
een dunne dichter – hij schreef met
een onnavolgbare magere taal.

Vermagerdheid zou je het kunnen noemen, maar dan zo
mager dat het was alsof het onthuidde handen waren
die schreven.

Ik vrees dat ik wel weet hoe het schrijnt
alsof ik hoor hoe hij het zelf is die hier
op deze plek, in deze smederij
woorden vuurt en vormt.

Je hoort de eeuwenoude klanken, het gekreun
van de smid, het getinkel van hamer op aambeeld.
het zuchten van blaasbalg
hoe er van taal prikkeldraad wordt gesmeed.

En er een zucht langzaam door de ruimte zweeft
als een uitgedunde, omsmeedde schreeuw,
vermagerdheid.

Martin Walton                                               Naar het voorbeeld van ‘Een koraal’ door Rutger Kopland

donderdag 30 juni 2011

Dichterscafé juni 2011

Dichterscafé juni 2011- Onderwerp:
Dichtregel naar Gerrit Achterberg: "ben ik een dichter, dan is 't per abuis" (uit Democraat)

In deze kamer ben ik eindelijk thuis.
Ik zal geen vers meer schrijven dat mijn leven
uiteen moet rukken om te zijn geschreven.
Ben ik een dichter, dan is ’t per abuis.

Ik lees het nieuwe boek. De kachel suist.
Geertruida staat een overhemd te strijken.
Ik heb maar van de bladzij op te kijken
om te beseffen welk geluk hier huist.

Zo zal het door de jaren blijven duren. 
We krijgen straks een kind en mijn pensioen
zal voor onze oude dag het zijne doen.
We hoeven niet voortijdig te verzuren.

Ook leven wij in vrede met de buren.
De ene heet Van Bakel, de ander Griffioen.

Inleiding over Gerrit Achterberg door Herman Posthumus Meyjes.

Gedichten van deze bijeenkomst:

Per abuis door Jos Paardekooper
Verdemen door Herman Posthumus Meyjes
Deventer door Dick Schlüter
Olst en Wijhe door Dick Schlüter
Zonder titel door Dick Smeijers
Toeristenmenu door Marleen van Joolen

Per abuis

Van dichten komt mij kleine baat.
De mensen raden me dat ik ’t laat.
Als ik al dicht, dan is’t kwansuis;
ik ben slechts dichter per abuis.

Ik heb mijn lichaam dubbel lief,
ik ben mijn eigen hartedief,
ik, die mijn dichtaderen vergruis –
ik ben slechts dichter per abuis.

Ik ben bijeen van ziel tot chromosoom,
ik droom voortdurend dat ik droom,
ik huis steeds in een ander huis
en ben slechts dichter per abuis.

Ik wissel wens en vondst van plaats,
ik speel met taal, en taal naar raad-
sels die teken zijn en toon incluis,
maar ben slechts dichter per abuis.

Ik ratel met dit doodlijk apparaat
verscholen tussen keel en ruggegraat.
Met gekkepraat en vals geruis
ben ik slechts dichter per abuis.

Een voetnoot ben ik, in de pels een luis,
een zijpad dat de ware kunst doorkruist,
een achterberg, een paardenfluis-
teraar, een dichter enkel per abuis.

Jos Paardekooper

Bij gelegenheid van de derde bijeenkomst van het Deventer
Dichterscafé in De Brave Broeder, met als thema Gerrit Achterbergs 
dichtregel ‘Ben ik een dichter, dat is ’t per abuis’ (uit Democraat).
Met dank ook aan de onbekende dichter van de Beatrijs.

Verdemen

Er staat Verdemen aan de spoorlijn van
Arnhem naar Utrecht komende  - & Zonen.
Ik kan het u gemakkelijk aantonen:
links bovenaan tegen een gevel an.
Ik weet van deze man niets anders dan
dat hij Verdemen heet en hij heeft Zonen
en dat hij aan de spoorlijn is gaan wonen,
waar ieder zich van overtuigen kan.
Ik zou hem voor de aardigheid misschien
eens op kunnen gaan zoeken in zijn huis
en kijken wat hij in het leven doet.
Verdomme als ik Verdemen niet ontmoet.
Het is van uit de trein een pas of tien.
Natuurlijk zit er ergens een abuis.

Herman Posthumus Meyjes

Deventer

In deze stad wil ik diepe putten graven,
grote scheppen aarde zeven, het leven
uit andere tijden betrappen, besluipen,
tot op ’t bot kruipen en ter aarde bestellen
nadat hebben en houden zijn ontfutseld,
om in elkaar te worden geknutseld
in het provinciaal depot, die oude silo
aan de Bergpoortstraat, rijk gevuld
met voorwerpen, verhalen en geduld.

Opgraven, om `t verleden te omarmen
ondanks de ingevallen schedelblik,
de littekens van pusbuilen, oorlogen,
en gebrek. Plateel, ijzer, leder, textiel:
versleten, weg gesmeten, vergeten,
verstopt of gepropt in `t bodemarchief
reeds overvol met knekels en lijken
die na `t wormen bezig zijn te vergaan.
Dikke lagen, langzaam aan `t vervagen.

Beerputten en grachten koester ik
om de vele weggooi en slordigheid.
Wanneer het graven is gedaan
volgt de sensualiteit van `t betasten.
Ik pak een mes van een chirurgijn
waar aderen mee werden gelaten,
in karbonkels gesneden om er daarna
weer spek mee te repen. Versleten?
Weg ermee, de gracht als rommelplee.

Deventer is een plek om ingewanden
uit te knijpen. Van het Bergkwartier,
de Keizerstraat, Brink, Prinsenplaats,
Muggeplein, Stenenwal, Kranensteeg,
Treurnietgang of onder de hooggehakte
vrouwenvoeten op de Bokkingshang.
De puil aan meuk is een verstilde
zwanezang van Vikingen, Hanzetijd,
kerknijd, inwijkelingen en poorters.

Dick Schlüter

Olst en Wijhe

kijken naar langzaam water
dat onderlangs passeert, bij
meerpalen, kribben, langszij
de kaden. Dag en nacht kracht,
stilte in beweging. Stevig en
onbeweeglijk zomen de dijken,
weten van geen wijken bij hoog:
hemelbreed. Op de NAP-meet
zetten beambten dan een streepje
terwijl de Welsumer waarden
zich laven en vanaf de IJsseldijk
dikke hazen meun zien grazen.
Ik laat mooie platte flinten
over het water hinken en denk
aan jongens die keien gooiden
naar watervogels en een schip
De IJssel kringde weerloos,
slokte stenen, wolken en kroos.
Het moment was stuk gebeten
om hen afgemeten tot de orde
te roepen. De kreten van plezier
verloren het fluks van ’t stampen
van het schip. Vanaf de rivier
klonk de knal van een buks.
Het water duwt, schuurt, slibt
en moddert verder. Planten.
dieren, vogels, zon en maan,
houden hun eigen ritmes aan.
Een reiger schreeuwt in de vlucht,
ik zie mijzelf weer op de vlucht.

Dick Schlüter

Zonder titel

Meeuwen wiegen op de wind
Een bootje glijdt voorbij
Huizen beklimmen de heuvels
Zon weerspiegelt geluk
Water ligt aan mijn voeten

Dick Smeijers

Toeristenmenu

Ik ben de toerist met rugzak
op zoek naar een beetje vertier
in de stad aangekomen
zie ik een marionet op stelten
die over de IJssel tuurt
de mooie poppetjes laat dansen
zo lang het schouwspel van het leven duurt.

Langs de rivier duizenden kramen
hoor ik enkel en alleen het geluid
van omslaande bladzijdes
‘plots loop ik iets te ver’
verboden vrucht achter de ramen
verleidend turen naar het mannelijk aangezicht.

Eenmaal in de Walstraat aangekomen
ga ik terug in de verleden tijd
als een kluizenaar opgesloten
altijd een deur die dicht blijft
hij is gierig voor zijn onderdanen
en gekweld door de geesten in zijn hoofd.

Van alle indrukken vervult
beland ik op het terras aan de Brink
een verkoelend drankje
wat een fraai aangezicht
mijn mooie herinnering
heb ik opgeslagen in mijn rugzak
en die neem ik altijd weer met mij mee.

Marleen van Joolen

dinsdag 31 mei 2011

Dichterscafé mei 2011

Dichterscafé mei 2011- Onderwerp:
Dichtregel van Martinus Nijhoff: "Wees hier aanwezig allereerste geest...".

Gedichten van deze bijeenkomst:
Mantel door Alfred Bronswijk
Een poëet door Wim van den Hoonaard
De weg door Piet Floors

Mantel

Nog even - dan slaat de nacht zijn mantel open.
Wat licht was wordt met donker toegedekt.
De ruimte is in muren teruggekropen
En in mij wordt het lied van angst gewekt.

Diep voel ik de toon van het verlies van hopen,
Van een vaarwel van wie ik zielsveel hield ,
Van het moment waarin zich de tijd laat slopen
Van alle schepen achter mij vernield.

Nog weet ik mij verstrengeld in oude dromen.
Nog heeft de nacht mijn hart niet aangetast.
Nog staan er zonnebloemen naast de kast.

En buiten klinkt een kinderstem die mij verrast,
Dat duister niet ieder licht kan tomen
En mantels zilver dragen in hun zomen.

Alfred Bronswijk

Een poëet

Een poëet
valt niet ver
van de schoenmaker
zijn leest,
want hij/zij verkent
het hele universum
met zijn/haar eigen geest,
die hem/haar vervolgens
dichten doet,
zowel in voor-
als tegenspoed.

Wim van den Hoonaard

De Weg

Voorop, op de fiets, bij mijn moeder,
naar opa en oma Diepenveen, haar vader en moeder -
kerktoren, watertoren, smokkelpad.

Via de torens, Zwolseweg, Ceintuurbaan, en verder,
Lookersdijk, Smokkelpad, Het Laar, Gelselaar, Groenewold, Het Vlier,
het bijzondere huis, Havezatelaan, Ottersbrug, Oranjelaan,
zie, en ga, ik de weg weer.

Piet Floors

donderdag 28 april 2011

Dichterscafé april 2011

Dichterscafé april 2011, Allereerste Dichterscafé - Onderwerp:
Geïnspireerd door Vasalis' "De oude mannen".

Ik kwam twee oude mannen tegen
met dunne halzen en met haperende voet.
Ik zag de hitte op hun maagre schouders wegen,
zij liepen krom, maar met hun hoofden opgeheven,
zoo ingespannen en verwonderd als een zuigling doet,
ik zag hun bleeke onderlippen beven,
zij keken zacht en zinneloos en goed.

Het waren oude kinderen geworden
op weg naar huis, maar waar geen moeder wacht,
eens blinkenden, maar nu verdorden
en stromplend naar hun laatste nacht.
En plots begon het heele park te beven,
boomen en blaadren golfden in een warme vloed
van tranen, die binnen mijn oogen bleven,
wijl men om het bestaan niet weenen moet.

Gedichten van deze bijeenkomst:
De oude mensen door Jos Paardekooper
Herinnering aan het Provinciaal Ziekenhuis in Santpoort door
Herman Posthumus Meyjes
De tijger door Juliane Amsberg
Raalte Salland Vakantieland door Benne Solinger










De oude mensen

Geïnspireerd door Vasalis, ‘De oude mannen’

Ik kwam twee oude mensen tegen.
Ze treden uit hun huis me tegemoet.
Ze hebben zich in feesttenue geheven,
hij in jacquet, het overhemd gesteven,
in zijn linkerhand de hogehoed.
Naast hem zijn vrouw, parmantig, schalks verlegen,
Zoals men bij een bruiloft meestal doet.

Ze denkt: wat zal er van mijn dochter worden?
En wat wordt er nog van mij verwacht?
Je hoopt het komt vast allemaal in orde,
zoals ik steeds ook van de anderen dacht.
Dan komt ze plotseling weer tot leven
En voegen vrouw en man zich in de stoet.
Ze pinkt een traan weg, ongezien, heel even,
wijl men om het bestaan niet wenen moet.

Jos Paardekooper

Deventer, 26 april 2011, bij gelegenheid van de eerste bijeenkomst van het Deventer Dichterscafé i.o., in de kelder van De Brave Broeder a/h Grote Kerkhof.

Herinnering aan het Provinciaal Ziekenhuis in Santpoort

Herinnering aan het Provinciaal Ziekenhuis in Santpoort,
waar  M. Vasalis haar opleiding tot psychiater voltooide


De wereld lag aan de andere kant
van het tuinhek, voorbij de struik met giftige besjes,
aan een voetpad met sombere bomen
dat aan het einde in de duinen strandt.

Ik heb ze daar gezien, de mannen in hun grijze jas,
gebogen, elkaars blik vermijdend,
verdoold in eigen woestijnen,
slenterend door het park, of over het smalspoor
een wagen voortduwend met vuile was.

Voor hen was ik alleen maar rook
geen deel van hun hermetisch universum --
behalve toen een van hen mijn bal wegtrapte
en ik, op zoek, het struikgewas in dook.

Zij kwamen zelden op de oprijlaan
die voerde naar het hoofdgebouw
waar het stonk naar ether en naar formaline --
voor hen een ongastvrij oord,
maar waar ik met mijn bal mijn gang kon gaan.

Misschien heeft zij mij daar gezien
en mij herkend als kind van een collega.
Misschien heeft zij toen ook vermoed
dat het een kind zou kunnen zijn
dat – had het geen herinnering bezeten --
zo schoon zou zijn gebleven als de regen
en, zoals zij schreef, zo drinkbaar.

Herman Posthumus Meyjes

De tijger

Gedicht na opdracht van het schilderij van Patries van Elsen

Ik ben te dominant
ik word een vijand
een gevaarlijk beest
steek mijn klauwen uit,
terwijl ik wilde strelen
lik met mijn snuit
andermans huid aan flarden
prik met mijn ogen
het bloed van de ander
tot stilstand.
Vaak treur ik om
mijn geslotenheid,
onvoorspelbaarheid
onbegrepen eenzaamheid,
mijn ongebreidelde woede,
onstilbare honger,
vrijheidsdrang!
Als radeloos dier poog ik nog
van de pijn af te komen,
door bescheiden en verstopt te zijn,
door eindeloos af te wachten,
door naar goede gedachten te zoeken
heel klein verborgen
in het struikgewas;
Ik kan zien in duisternis.
zoveel kracht in me, zo fel en vurig
dat ik eenzaam door de bossen dwaal
op zoek naar wat me drijft
spiedend naar bevrediging
raak ik ontroerd door schoonheid
Hoe zal het zijn als ik dit woud verlaat?
Ik sluip behendig, mijn tenen
raken nauwelijks de bodem
Ik zweef bijna en strek me,
Neem iedere geur gewaar,
zie elke minieme verandering
merk me verbonden met de kleuren,
de tekeningen van mijn vacht
keren naar binnen en sluiten ieder buiten
Wil het wezen wie ik ben, tussen geel zwart, bruin en beige?
Ik tril van levensgenot
mijn roep klinkt ver,
de echo’s kaatsen terug
buiten de zichtbare werelden
en ik sta, mijn ogen gericht
op onthulde geheimen
die langzaam tot me
doordringen

Juliane Amsberg

Raalte Salland: Vakantieland

Salland zal,
als pracht land,
gaandeweg
vanzelfsprekend
van aangezicht
veranderen
wanneer andere
vakantiegangers
Salland als prachtig
aandenkenwaardig
natuurlandschap
gaan waarderen
als vakantieland!
Waarbij Raalte,
als waardig
zwaartepunt,
aanvankelijk
aandacht vraagt
vanwege Stöppelaene,
Straatfestival
en Hoftheater!
Na aandacht van
Hare Majesteit Beatrix
en Camiels N35verlaging
zal Salland straks
vooraanstaande
plaats afdwingen.
Ach ja man:
Salland,
met Raalte
aan kanaal,
kan waarlijk
worden aanbevolen
als  vakantieland
waar recreatie,
natuur,
water en landschap
de aandacht vragen!
Plan uw vakantiereis
jaarlijks naar Salland!

Benne Solinger