donderdag 20 december 2012

Dichterscafé december 2012

Dichterscafé december 2012 - Onderwerp:
“It was the best of times, it was the worst of times…” geïnpireerd op het boek :
 A tale of two Cities van Charles Dickens



Gedichten van deze bijeenkomst:
The kiss door Erica Rekers
Waardeloze woorden door Wim van den Hoonaard
Metamorfose door Violet Asseruit Mane
Interview door Herman PosthumusMeyjes
Opdracht door Tinus Derks
Inzicht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Kille blik door Jan van Laar
Ik wil zo graag de kleur van woorden weten door Dick Smeijers
Afscheid (vertaling gedicht Despedida van Jorge Teillier) door Klaas Wijnsma

The Kiss (Rodin sculpture)

A kiss is a kiss is a kiss

What a terrible mistake
I made

because underneath
the bliss of the kiss

lies the wish
of the beholder
of the kiss

and when I realized
this oh this
the kiss
will never ever feel the same

Erica Rekers

Waardeloze woorden

Als in het water stil
jouw weerloze waarde verdrinkt
komt de dichter met de wil
zijn diepe grond te verkopen
aan die bloem zo verminkt

maar gedichten over zelfmoorden
zijn slechts waardeloze woorden

Wim van den Hoonaard

Metamorfose

De tijdsgeest verbleekt
ik maai over het veld
haal de tijd eruit en slaak
mij een zucht op weg naar
tijdspanne, heb er wat mee
zie nu pas wat het deed
de ommekeer is draaiing
verandering maakt vrij
tijd is lijden en verglijden
ik luister niet naar leugens
ook het koren groeit door
en passeer deze weg alleen
daar het raam met de barst
die doet bloeden en vloeien
het baant zich een weg
door mijn tijd die verstrijkt
trek mijzelf weer uit het slijk.

Violet Asseruit Mane

Interview

Wat was uw bloeiperiode, vroeg ze.
Nu, riposteerde ik.
Dan bent u dus een laatbloeier, sprak ze gevat.
Geenszins, zei ik, want ik heb altijd gebloeid,
in de beste en in de slechtste tijden,
in voor- en tegenspoed,
bij overwinning en nederlaag,
gedurende inspiratie en droogstand,
in duizeling en duikvlucht,
in dronkenschap en doodsnood,
tijdens honger en overvloed,
bij ingetogenheid en uitspatting,
in licht en duisternis,
bij geloof en ongeloof,
zowel bij twist als vrede,
in het voorjaar der illusies
zo goed als in de winter van wanhoop --
en in al die tijden heb ik in hoofdzaak,
ja vrijwel onafgebroken,
zonder adempauze of intermezzo,
en zonder acht te slaan op de kosten
of de gang van het verhaal te onderbreken,
gezwegen.

Toen zei zij dat ze genoeg wist.

Herman Posthumus Meyjes

Opdracht

jarenlang heb ik elke morgen
in de Stentor gezocht naar
tien verschillen in twee  op het
eerste oog gelijke tekeningen
tot ik op een dag na een half uur
nog geen enkel verschil had ontdekt
en ik met veel misbaar de krant
in de fik heb gestoken
de volgende dag deelden ze mee
dat ze abusievelijk twee dezelfde
tekeningen hadden geplaatst
waarvoor welgemeende excuses
sindsdien zoek ik elke dag naar één
enkel verschil om te checken of ze
niet weer per abuis twee dezelfde
tekeningen hebben afgedrukt

Ze krijgen mij d’r niet onder

Tinus Derks

Inzicht

Mysterieuze vogel met twee
koppen, hoog op een kale tak,
ogen naar strijdige kanten

daar -
zonnige tuinen in bloei
die hem blij deden zingen
anderzijds -
landerijen verijsd door woedende
stormen van pijn en angst

Ineengedoken tuurt hij in de
troosteloze nacht, zoekend naar
tekens van eenheid
buigt zich
in zwijgende onmacht

vindt onder de zachte veren
eindelijk ware verbinding
Jubelend volgt hij zijn hart
       
Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Kille blik

Als alle mollen vliegen konden
en vogels groeven in de grond,
als elk kameel zijn zebra vond
en zij zich met elkaar verbonden,

als alle paarden vinnen hadden
en zwommen in het Veerse gat,
als elke baars zijn paling had
en zij dat vierden bij de Wadden,

als water stroomde naar de bron
en licht zich keerde naar de zon,
als wortels wezen naar de lucht,
verlangend naar een ver gerucht…

wie weet of dan jouw kille blik
zich warmt aan mijn verhit gezicht.

Jan van Laar

Ik wil zo graag de kleur van woorden weten

Ik wil zo graag de kleur van woorden weten
Zijn die van jou als je mijn lief bent rood?
Of donkerzwart wanneer we strijden om gelijk
Ik wil zo graag de kleur van woorden weten

Zijn ze zo zacht als golven in jouw haar
Of spijkerhard als rotsen kunnen zijn?

Jouw woorden die ik proef en met mijn tong bemin
kan bitterheid niet langer meer verdragen
Ik wil zo graag de kleur van woorden weten.
Ik wil zo graag…

Afscheid (vertaling gedicht Despedida van Jorge Teillier)

Ik neem afscheid van mijn hand
die het pad van de bliksem kon schetsen
of de stilte van de stenen
onder de sneeuwhopen van weleer.

Om ze weer bossen en zand te laten worden
neem ik afscheid van het wit papier en de blauwe inkt
waaraan lome rivieren ontsprongen,
zwijnen in de straten, lege maalderijen.

Ik neem afscheid van de vrienden
op wie ik het meest heb vertrouwd:
de konijnen en de motten,
de rafelige zomerwolken,
mijn schaduw die altijd zachtjes met me sprak.

Ik neem afscheid van de Deugden en de Gratiën der [ planeet:
de mislukkelingen, de muziekdozen,
de vleermuizen die zich bij het vallen van de avond
losmaken uit houten huizenbossen.

Ik neem afscheid van mijn stille vrienden
die alleen maar willen weten
waar je wat wijn kunt drinken,
en voor wie alle dagen
niets anders dan een smoesje zijn
om ouderwetse liedjes te gaan zingen.
Ik neem afscheid van een meisje
dat zonder me te vragen of ik van haar hield of niet
met me meeging en met me sliep
op zo’n middag vol rook
van in greppels brandende bladeren.

Ik neem afscheid van een meisje
wier gezicht ik in mijn dromen blijf zien
verlicht door de trieste blik
van treinen die voorbijgaan in de regen.

Ik neem afscheid van het  geheugen
en ik neem afscheid van de heimwee
– het zout en het water
van mijn dagen zonder doel –

en ik neem afscheid van deze gedichten:
woorden, woorden – een beetje lucht
bewogen door mijn lippen – woorden
om de wellicht enige waarheid te verhullen:
dat we ademen en ophouden met ademen.

Klaas Wijnsma

woensdag 28 november 2012

Dichterscafé november 2012

Dichterscafé november 2012 - Onderwerp: novemberregen.
Vrij naar de novelle Dwaallicht van Willem Elsschot, waarvan de beginregel luidt:
“Een ellendige Novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegt”.

Gedichten van deze bijeenkomst:

Een jongen door Jan van Laar
November gered door Sieth Delhaas
Gompie door Violet Asseruit Mane
Into each life…door Leen de Oude
Zonder titel door Dick Smeijers
Novembergedachten/gedichten door Herman Posthumus Meyjes
De maand november door Tinus Derks
Regen door Twan van Dijk
Novemberregen door Wim van den Hoonaard
Seasons Change door Maarten Douwe Bredero
Hardlopen door de regen in november door Michiel van Hunenstijn

Een jongen

Dit is een ruige avond in november,
de regen stroomt de donk’re wolken uit
en straffe winden beuken op mijn ruit…
Een jongen draaft voorbij, een onbekende.
Gevelde bomen zorgen voor ellende,
een dakpan valt te pletter op de straat.
Een held is wie er nu naar buiten gaat,
die jongen dus, hij lacht om heel die bende.
Maar ik zit droog en ’t is voor mij een troost
dat ik een dak heb en geen pannen mis.
Geborgen voel ik mij, dat wil ik vieren
met een pintje vers gebrouwen bier.
Voor de jongen die een kanjer is 
hef ik vandaag het glas en bulder ‘proost’.

Jan van Laar

November gered

Novembermaand hoezeer ga je gebukt
onder beelden van duister, dood, verderf,
motregen, takken van een boom gerukt,
verlating, ouden eenzaam op hun erf.
Sombere schrijvers gaan zich te buiten
aan dwaallichten, die, van elkeen vervreemd
angst aanjagen wie op hen mocht stuiten
je vraagt zijn die vertellers zelf ontheemd?
Ik zie november als een maand gevuld
met lange avonden, mooie boeken,
gesloten gordijnen, mezelf gehuld
in wat me zint, desnoods oude doeken.
Met dit wel wat krakkemikkige sonnet,
is november van de somberaars  gered

Sieth Delhaas

Gompie

Novemberregen beukt tegen het huis,
de storm gaat niet liggen is het wel pluis?
Als men eens wist wat er allemaal in de storm besproken wordt,
Gompie, ik peins en pak een boot en ga spelevaren,
de haren zouden te bergen rijzen en vaar weg van ’t fjord,
wegvaren van het noodweer, het is zitten op hete blaren.

Naar zee gaan en de hele wereld achter mij laten,
novemberstorm, ga maar ergens anders praten.
Dapper is het om de motregen te trotseren -
Trek je regenpak uit stel je kwetsbaar op -

Kan jou het wat schelen als men je zou bezeren -
De geest is uit de fles en de kurk zegt Nu plop -
Laat je niet door de novemberstorm verwarren,
kost je veel tijd om Ariadne’s kluwen te ontwarren.

Dochter van koning Minos met haar kluwen wol -
Haar draad verleggend naar een labyrint van woud -
Theseus geholpen die zich rolde naar het verkeerde hol -
Verwachtingen geschept en Ariadne, zij is nu oud -
De novemberregen houdt de mens altijd staande

Dappersten onder ons zullen alles trotseren
Het houdt de ondermaanse gaande
Aangezien daar veel valt te leren

Zonder titel

Mijn oren vertellen me de verhalen
Van vroeger en van overmorgen
Mijn ogen zien de stralen van de zon
nadat de nacht reeds aangebroken is
mijn mond is bijna afgesloten
vertolkt niet meer dan nodig is.
mijn hart vertikt de tijd.
om lief te hebben tegen beter weten in
blijf ik geloven in die dagen
van fel rode lippen en een goed glas wijn.

Dick Smeijers

Novembergedachten/gedichten

Een dag als deze, diep vijandig,
en van zijn laatste licht beroofd,
maakt mij onnoemelijk opstandig --
alsof ik ooit in beter had geloofd.

Een dag als deze, grijs als stof,
met waken, slapen om het even,
en ademen een doen alsof --
met deze dood valt niet te leven.

Een dag als deze, niet geleefd
en niet gedeeld, vol onvermogen --
een herfstblad dat te gronde zweeft,
en tranen die om niets verdrogen.

Een dag als deze, overbodig,
en zonder einde of begin,
ik heb noch hem noch hij mij nodig --
geen walging zelfs of tegenzin.

Een dag als deze: afscheid, afscheid,
en nagloed van een stervend vuur --
voordat mijn arme wereld splijt,
wat hoopt men nog dat ik verduur?

Into each life…

November en er valt wat regen
Dat is soms doodgewoon een feit
J.C. Bloem kon er niet tegen
Die zei: dan regent het altijd

En zijn hart bleef altijd leeg
Ondanks al dat hemelwater
Dat hem tot de lippen steeg
Maar dat merkte hij pas later

Het zal ons niet overkomen
Wij heel anders dan de dichter
Met beide benen op de grond
Zien de zaken heel wat lichter

Regen mag soms rijkelijk stromen
Bloem had veel te natte dromen

De maand november

Ik min de natte maand november niet,
daar die zo grijs is en zo fel zijn kracht
uitplooit in ’t zwerk.

Komend met donker-koele oostenwind,
heeft hij de herfst gezonden en begoot
toen vrij het droeve hart.

Nu jaagt hij razend op het watervlak
en wenst steeds meer….

Tinus Derks

Regen

Regen, regen, regen, glinsterende wegen
zwart spiegelend en nat
vallende bladeren,
het is glad
een donkere lucht jaagt de zon  op de vlucht
dikke druppels biggelen langs ramen
als waren het  tranen
opspattend water
doorweekt als een verzopen kater

regen, regen, regen
het wassende water is tot mijn lippen gestegen
hard stromen door goten papierjes als boten
vensters zijn beslagen
mensen vervormen en vertragen als in een droom
tot gedaanten in spuitende stoom
want als de goden huilen
kan men nergens schuilen.

Twan van Dijk

Seasons Change

Tik, tik, daar is ze weer
zachtjes tegen de ruit
en zomaar op een dag

krachtig voedt ze
als behangen met fruit
laat bloeien in anders dor gebied

Bam, kabam in het gure veld
gelijk kogels van ijs
fonkelen deze peilloze ogen

butsen vallen
in veler kwetsbare huid
zo plots en zelden kennen wij haar niet

Geruisloos dwarrelt
op de stenen trap
alle kleur weerkaatst en terug gegeven

een deken over ons
zonder enig geluid
toch klinkt zij door als smeulend lied

Novemberregen

Het regent vaak in november
de negende maand of de elfde
de tegenwind maakt ons geremder
en 't jaar eindigt meestal hetzelfde

mistletoe wacht in november
hartstochtelijk op regenzoenen
terwijl sommigen steeds ontstemder
en hardvochtig zichzelf depri noemen

herfstkleurige bomen en vlaggetjes in de stad
tijdens een wandeling was de limbo wat nat
en de straat begon te ontvolken

gezelligheid was ver te zoeken
maar ach, waarom zou ik vloeken
'k loop toch met mijn hoofd in de wolken.

Wim van den Hoonaard

Hardlopen door de regen in november

En daar gaan we
de spoorbrug huilt
de trein die suist
de wind die blaast
de boom die buigt
het blad dat waait
de golven wit
het water wild
m'n sokken nat
mijn handen koud
het tempo straf
de wind die striemt
mijn bril beslaat
mijn hart dat bonst
de tak die kraakt
m'n jack kletsnat
het slechte zicht
mijn tijd beroerd
de spieren stram
de route lang
het hoekje om
de luwte in
het modderpad
het valse plat
de hongerklap
het zoute zweet
het zweet dat bijt
de wil die kraakt
de regenplas
de enkel zwikt
het rechte eind
het licht valt weg
je hapt naar lucht
een vaag besef
je vindt dit leuk
de regen in
novemberkou
de finish lonkt
je concentreert
je pas wordt lang.
je grijns komt terug
je bent er weer.

Michiel van Hunenstijn

woensdag 31 oktober 2012

Dichterscafé oktober 2012

Dichterscafé oktober 2012 - Onderwerp:
onvernietigbare veerkracht

Het onderwerp is ingebracht door W. van den Hoonaard, n.a.v. de troonrede afgelopen september en geïnspireerd door het gedicht ‘Gij en wij saam’ van Albert Verwey.
het gaat om de regel:
"Wie waarlijk leeft, heeft in zijn hart
 Een onvernietigbare veer,
 Een stille kracht, die iedere weerstand tart"


Gedichten van deze bijeenkomst:
Veerkracht en misverstand door Jan van Laar
Zemba overwint door Michiel van Hunenstijn
Zonder titel door Dick Smeijers
Against The Wind door Maarten Douwe Bredero
De Oostermaat door Tinus Derks
Veerkracht door Erica Rekers
Elfenbankje door Marleen van Joolen
Nog een wereldwonder door Wim van den Hoonaard
Oktober of wat een oudere buurvrouw mij vertelde door Cecile Reijnders
Fifty Ways door Herman Posthumus Meyjes

Veerkracht en misverstand

Blote paling met naaktslakkensaus. Dat kreeg ik die avond in het café te eten als hors d’oeuvre. Een gang die speciaal werd aanbevolen met: om erin te komen. Ondertussen verrichtte een schamel gekleed meisje onduidelijke werkzaamheden in verticale richting via een centraal geplaatste paal.

Even later kwam een pas geverfde dame tegenover mij aan tafel zitten om mij op het hoofdgerecht voor te bereiden. Ze sprak over verleidelijke horizonten binnen het eigen gezichtsveld, over consumeren en assembleren, pulsen en impulsen, over ongekend genot: besmuikt, beschimmeld of beschaafd. Tenslotte over de alles vernietigende veerkracht om soepele of hoekige, om gerekte, gedrukte, gedraaide, gewrongen bewegingen steeds weer uit te voeren en terug te nemen.

Toen pas begon ik goed te luisteren en mij te verbazen. Ik nam de entourage van de locatie beter in mij op. Er ging mij een licht op toen ik keek naar de lampjes met hun minimale voltage: hier serveren ze geen biefstuk van de haas!

Mijn bestek viel stil.

Jan van Laar

Zemba overwint

Zemba was een scheepsborstel,
maar was eigenlijk een god.
Zemba was een scheepsborstel
en hij werkte op een schip.

Zemba was niet meer de jongste,
was versleten en zijn haren kwijt,
had het dek geborsteld en geboend,
had geveegd, van ruim tot het vooronder,
de haren vlogen in het rond.
Had gewerkt, geveegd, geschrobd.
De jaren gingen heen en toen was Zemba op.

En werd toen overboord gegooid, in de plomp ermee
Zonder een 'een twee drie in godsnaam',
wat moet je immers met zo'n lor.
Maar Zemba borstelde en kwam boven, dobberde en
spoelde aan tussen de kribben van de Stobbewaard.

En werd op een zondagmiddag gevonden
en gered van die wrede verdrinkingsdood.
Dus werd Zemba afgeveegd en afgedroogd
en voorzichtig naar zijn huis gedragen.
Hij kreeg daar een gezicht en een ziel.
En kreeg een plek, hoog aan het huis,
geniet van aanzien en pensioen,
en waakt nu over tuin en huis.

Zemba was een versleten scheepsborstel,
maar wist, diep van binnen was hij een god.

Michiel van Hunenstijn

Zonder titel

aan de oever van die mooie rivier
zie ik waterbeelden die
de takken van de bomen raken
glinsterende eenvoud zichtbaar
tegenbeelden fluisteren naar elkaar
en spreken elk hun eigen taal

een heldere jutuut van de groene specht weerklinkt
een duif vliegt over het water
het gras wuift me toe
blaadjes varen als kleine bootjes voorbij
sta even stil bij het water
en snuif de herfst naar binnen

Dick Smeijers

Against The Wind

Eenzaam buigt bamboe
in barre wind
Hol van binnen
zonder breekbaar spint
Haar gekraste bast
afwerend bemind

Gepaard bestrijken veren
de helle atmosfeer
zacht krommend in vleugels
of dwarrelend neer
Zijn dunne haartjes
bleek in zonnig weer

Samen sterk doorstaan zij
een gekozen vorm
Sans zinnig gevoel
volgens enige norm
kruipt ieder voor zich
naar de zuigende storm

Maarten Douwe Bredero

De Oostermaat

(vrij naar De Dapperstraat van J.C. Bloem)
         
Cultuur is voor veerkrachtigen of legen,
En dan: wat is cultuur nog in dit land?
Een stukje tekst, een column  in de krant,
Een muurtje met wat kunstwerkjes ertegen.

Geef mij de ruwe, bomenrijke wegen,
De beladen rietomzoomde waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, pikant
Als zwellichamen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Gezegend, op een zonbegoten morgen,
Domweg gelukkig, in de Oostermaat.

Tinus Derks

Veerkracht

Dat ooit twee handen

veer voor veer

en deze veren tezamen
ineens

de lichamen van adelaars
weer laten zweven boven landen

in hogere sferen
tot mystiek verheven

verweven werden
tot War bonnet

de ‘pet’
die een medicijnman tooit

Erica Rekers

Elfenbankje

Zonnetje schijnt
laag aan de horizon
een rode gloed
valt over het woud.
De bomen wuiven
met een kleurenpalet
op hun eens groene blad.

Warme vochtigheid
dringt langzaam door
tussen gestorven hout
mos en herfstblad.
Witte schimmeldraden
verspreiden zich snel
in hun eigen web.

Ze voelen zich thuis
in deze oude boom
leunend tegen het hout
Waar de vrucht ontpopt
als een prachtig herfsttafereel.

Marleen van Joolen

Nòg een wereldwonder

Geachte dames
en dito heren

hoe bestaat het dat
de wereld buiten
mijn diepste punten
van verbeelding
kan akti-veren...

Wim van den Hoonaard

Oktober of wat een oudere buurvrouw mij vertelde

de zon scheen half oktober
nog maar tien minuten in haar tuin.

in dat lichtkwartiertje gezeten
sloot zij kort haar ogen

en toen ze deze weer opendeed,
gleed er een sluier van goudgele blaadjes
langs haar heen.

Cecile Reijnders

Fifty Ways

                                       There must be fifty ways to leave your lover
                                                    Fifty ways to leave your lover

                                                    Just slip out of the back, Jack
                                                    Make a new plan, Stan,
                                                    You don't need to be coy, Roy
                                                    Hop on the bus, Gus
                                                    Don't need to discuss much
                                                    Just drop the key, Lee
                                                    and get yourself free

                                                                           Paul Simon

Laat het sneeuwen op haar tepels
Laat het waaien langs haar rug
Laat haar kruipen bij de krekels
Er is nu toch geen weg terug.

Laat haar ramen zijn beslagen
laat haar spiegels zijn bemist
Laat haar bed zijn onbeslapen
en haar agenda uitgewist.

Laat het regenen in haar ogen
Laat het bliksemen in haar lucht
Laat haar paden zijn belopen
Al haar vinders op de vlucht.

Laat het donkeren op haar dagen
Laat haar klokken zijn van slag
Laat onpeilbaar zijn haar baken
en strooi zand op waar zij lag.

Laat het sneeuwen op haar tepels
laat het vriezen aan haar borst
Laat haar waden door de knekels.
Zo veel leven is vermorst.

Herman Posthumus Meyjes

vrijdag 28 september 2012

Dichterscafé september 2012

Dichterscafé september 2012 - Onderwerp:
Onderwereld:  betekenis in woordenboek:
het rijk waar je heengaat als je dood bent
  (volgens het geloof van de oude Grieken en Romeinen)

kringen van misdadigers                 

Gedichten van deze bijeenkomst:
Dichterscafé door Tinus Derks
Klaaglied voor Deventer door Tinus Derks
Een soort van onderwereld door Sieth Delhaas
Het was in die wereld door Erica Rekers
Leermeester Saturnus door Violet Asseruit Mane (pseudoniem)
Onderstebovenwereld door Wim van den Hoonaard
Onderwereld door José Hattink
Onderwereld door Michiel van Hunenstijn
Orpheus en Eurydice door Jan van Laar
Schaduwgevecht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Touching Evil door Maarten Douwe Bredero
De grafsteen voor de gebroeders Nassau in Heumen door Pieter Bas Kempe
Weening en knersinge der tanden door Herman Posthumus Meyjes

Dichterscafé

Dichterlijk ongerief!
Dichters van Deventer,
Hoog in O.B. bijeen,
Onder t.l.,
Ruilden hun hemelspoort,
Wanhoopbevestigend,
In voor de Hades van
Perlase hel.

Tinus Derks

Klaaglied voor Deventer dichter

De dichter die op Deventer wil dichten,
Is meer onthand dan zij die op hun fiets
Hun dichterlijke kunnen willen richten,
Want op dat voorwerp rijmt tenminste iets.

De dichter die van Deventer wil zingen,
Vindt in vertwijfeling wel iets gratuits
Als Koek- en Hanzestad, ja van die dingen,
Maar nee, op Deventer rijmt echtwaar niets.

Hij zoekt, als hij zijn habitat wil eren,
In arren moede naar iets erudiets,
Maar moete ten langen leste concluderen:
Zo’n stad biedt minder kansen dan een fiets.

Tinus Derks

Een soort van onderwereld

Vol van een mens
met de dood in zijn schoenen

licht was ik
met een ongekende moed

legde mijn lot niet in jouw
maar in de handen van mijn eigen ongekende weten
van hoe te gaan
wat waarde  was om voor te leven

Sieth Delhaas

Het was in die wereld

Het was in die wereld
de anderen niet overlegen
daar waar het instinctieve weten
ook wel onderwereld geheten
dat zij haar antwoord had gekregen
door krachtdieren verteld

Het was op een avond
die meerderen deed ontsluiten
waarmee haar menselijk geboren
en tot de middenwereld behoren
aanving en van binnen naar buiten
komen werd aan de stond

Het was haar hartenwens
dat ook de bovenwereld zich aan haar toont
daar er drie Naqual werelden bestaan
en hier door reizen eigen aan de sjamaan
is zij in contact met alles dat daar woont
een animistisch mens

Erica Rekers

Leermeester Saturnus

Leermeester Saturnus zal mij de komende tijd verblijden
Mijn onderbewustzijn zal het soms moeten ontgelden
Het zal mij terug werpen in het zadel van de levensleer
Het contact was OOIT gestart en is een diepe eer

Simpel is het niet om zware jongens toe te laten
Tring tring het is de duivel die wil praten

Het is de wereld onder de zichtbare wereld
Men noemt dit de Onderwereld
Rijk van Hathor en Hefaistos
Daar speelt zich dit alles af
Afdalen doe je onder eigen toeziend oog
t’Donker gekrocht van het bewustzijn
Geeft je relatie en verschuift het stof
Zie de innerlijke monsters, ontvang hun LOF

Wat is er geboren uit het ontdekken van de HEL
Hefaistos smeedde voor mij een GOD van vuur
Hathor met zijn mensenhoofd en koeienoren
Laat je zien, ik ken jou van toen hij gaf het bevel
Je beraamde een plan onder het Hemelse gewelf
Danste op muziek en deed dat heel puur
Het reikte nog niet hoog genoeg, de gloeiende toren
Helder stralend afdoend van mijn verbrande VEL.

© Violet Asseruit Mane

Onderstebovenwereld (sonnet met rijmdwang)

Als ik kies voor goed of kwaad
vroeg ten onder, misschien laat
koud in bed of een goot in de straat
hoe overleef ik de spagaat?

Goed en kwaad kunnen overal bij
en sta ik voor of achter in de rij
beneden èn boven ben ik niet vrij
maar wat me tegenhoudt zijn zij!

Of misschien vergis ik mij,
ben ik het kruis(igings)punt voorbij
en is er ook geen weg terug

naar de plek van de genomen maat
terwijl een behoefte nog steeds bestaat
aan meer welvaart, graag wat vlug!

Wim van den Hoonaard

De onder wereld

daar lig je dan onder (de) wereld
waarop je leven zich heeft afgespeeld
kriebelende herinneringen koester je
ze worden  waziger
je bril beslaat
de tijd kun je niet meer zien
morgen misschien

daar lig je dan op wereld niveau
duizenden as kristallen op aarde, op zee
dragen herinneringen mee
zoveel pluimage
om mee te delen
of om mee te helen
morgen misschien

José hattink

Onderwereld 1994

W., dichterbij de criminaliteit dan jij, ben ik nooit geweest.
met je bargoens, met je jopen, je joetjes, je okee dan,
je geeltjes en je koekwaus, je eeuwige Cypress Hill,
en de dreun van de House of Pain op tien: buurman!
En dat alles op een dagelijks bedje van je nederwiet.

Had je bezoek over de vloer, en dat wilde naar de stad,
maar fiets tekort, geen punt, daar ging je al,
met de betonschaar, naar het pleintje op de hoek, op zoek.
En daar kwam je al terug met een damesfiets.
Die stonden toch vaak het slechtst op slot,
ze vroegen er zo toch zeker zelf om.

En je had ook wel ns een pipa tegen je hoofd gehad.
En dat je je, onder de brug, tot je kin in het water,
verborgen hield. Want ze zochten je.
En ook al bokste je flink kick,
en pompte je op de sportschool zwaar metaal,
gerust erop was je ook weer niet helemaal.

En dan was er nog je maat P. P. weet je nog?
P. die z'n verwondingen liet zien, het gevolg van die inbraak laatst.
Het was een heterdaadje, hij was betrapt, gevlucht
en bood verzet. Eigen schuld, en dus heel veel bloed.
Dat waren dus de tanden van de politiehond: en hier
en daar en daar en daar gebeten. Het zag er niet uit.

Met W. kwam het uiteindelijk wel goed, kreeg verkering
met een Loosdrechts' meisje, uit gegoede kring nogwel,
en z'n eigen bedrijf, het rechte pad kortom.

En mijn criminele carrière is nooit verder gekomen
dan het zwartrijden met een tram.
En natuurlijk gelijk gesnapt: amateur,
voor onderwereld geen talent.

Michiel van Hunenstijn

Cypress Hill en House of Pain - twee hiphop/rapgroepjes, populair begin en midden
   jaren negentig.

pipa - straattaal voor pistool

Orpheus en Eurydice (apocriefe versie)

Eurydice komt aan de deur
als een spooksel, als een elf,
als een schim slechts van zichzelf.
Orpheus slaakt een cri de cœur:

‘Kom vlucht met mij uit de malheur
van dit onderaards gewelf,
vlucht met mij, en als vanzelf
vind je licht en leven, kleur.’

Eurydice, ze heeft ontmoet
een schim daar in de duisternis.
Ze zegt: ‘Ik blijf bij hem.’

De arme Orpheus houdt zich goed,
hij zingt z’n lied, maar uit gemis,
met gebroken stem.

Jan van Laar

Schaduwgevecht

De leeuw incognito
dwaalt door de gangen
van mijn ingewanden
Welwillend lach ik
en reik vele handen,
mijn frases lopen
beleefd en afgemeten

De massa drenst en dringt
de ruimte engt van zweet
en onverhoeds verheft
het beest zijn grauwen,
slaat links en rechts
met scherpe klauwen

Men deinst terug
van mijn terrein
De leeuw verdwijnt
slaat op de vlucht
hervat zijn rust

Ik krijg weer lucht
maar denk bezeerd:
wie overschreed
mijn grenzen -

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Touching Evil

Het kind wat eens is

ziet spullen
voor liéfde aan
De puber daarna
zekert zich via
pijn aan een ander
Deze crook dempt de schuld
met schenking aan de kerk

Oogverblindend zachte vormen
raken vingertopjes
één voor één
Jouw mes splijt het weefsel
als een ploeg
voor de oogst
Dof in vergeven luxe
sterven wij zonder elkaar

Toe nemend
Af gezonken

Het leven eenmaal geschonken

Maarten Douwe Bredero

De grafsteen voor de gebroeders Nassau in Heumen

Zij renden weg, ontkomen was er niet meer bij,
soldaten vielen in het massagraf moeras:
de Nassau-broers bemerkten ’t zuigen van de dras,
verdwenen stervend in het onland zij aan zij.

Geen spoor werd ooit gevonden meer in plag of plas
van Lodewijk, van Hendrik, paarden of soldij:
een streng bewaard geheim van gans de Mookerhei
en heel het levend veen tot bij de Graafse sas.

Een grafsteen is te Heumen voor hen opgericht,
geeft Lodewijk en Hendrik zaal’ger een gezicht
nabij de plek waar lang reeds de Westfaalse vreê

over is neergedaald uit Münster, waar het rund
zijn kalme grazen op de heide is gegund,
waar zij al eeuwen rusten in hun legerstee.

Pieter Bas Kempe

Weening en knersinge der tanden

Ik ben de vleesgeworden herfstdepressie
en die wereld is mij van kindsbeen af vertrouwd.
Hoe harder ik lach, hoe definitiever de bladeren vallen;
hoe getapter ik ben bij de tapkast, hoe zwaarder de nacht intreedt.
Hoe meer ik word toegejuicht, hoe steiler de wanden van de put
waarin ik mij bevind bij het dagelijks ontwaken.
Hoe meer ik de paljas uithang,
hoe steviger de luiken worden dichtgetimmerd,
de gordijnen worden toegeschoven en de lichten gedoofd.
Hoe ruimer mij het succes ten deel valt,
hoe duisterder ik het huis bij terugkeer ’s avonds aantref.

Hoe meer ik vrienden en vriendinnen aan mijn borst druk,
hoe meer ik moet denken aan die zwaar bebrilde man
-- een Fransman, u weet wel wie --
die schreef: “l’enfer, c’est les autres”.

Herman Posthumus Meyjes

donderdag 30 augustus 2012

Dichterscafé augustus 2012

Dichterscafé augustus 2012 - Onderwerp:
de ballade

Een ballade is een niet al te lang vertellend gedicht in strofevorm.  
De belangrijkste twee kenmerken zijn dus dat er in ieder geval een of ander verhaal, een anekdote of kleine geschiedenis in verteld wordt, en dat die geschiedenis in strofen wordt gepresenteerd. Het genre wordt ook wel aangeduid als 'romance', zowel in de poëzie als in de liedkunst.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Verwarring rond een sprookjeshuwelijk door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
De ballade van de breinkelder door Greet Dijkhuis
De ballade van de laatste spreker door Michiel van Hunenstijn
De redding door Jan van Laar
Josefien door Jan van Laar
Een keer door Violet Asseruit Mane
Counter Flow door Maarten Douwe Bredero

Verwarring rond een sprookjeshuwelijk

Het was een barre winter
toen de prins te paard
kwam draven door
berijpte bossen,
over witte steppen,
toegevroren meren
en witte wolkjes blazend,
verkleumd tot op het bot,
met blauwe vingers
bij het verweerde slot
van Doornroosje kwam.
De sprookjesprinses sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

Zijn schouder stootte
bonkend op de poort,
de oude deur bezweek -
toen sloeg het lot toe:
zilverwitte, scherpe pegels
lieten los, kinkten op
zijn jonge schedel;
meedogenloze ijskristallen
braken hem alsnog,
kreunend bevrijdde zich
een laatste zucht.
De sprookjesprinses sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

Onwetend van
de wreedheid van de winter
en het drama rond haar sponde
snoof de prinses,
Rosalinde bij geboorte,
met haar fijne neusje -
pfff, zoveel stof - snurkte
evenzeer beschaafd
keek omhoog naar haar pendule
en draaide zich vervolgens
met welbehagen om.
De sprookjesprinses sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

De wekkerklok gaf haar
nog twintig jaren om
baas in eigen bed te zijn –
het was niet haar idee,
een prins-gemaal, en dat
zij, Rosa, dorens had
dat zou hij spoedig voelen
als zij dat nodig vond;
ze was wel blond, o ja, en mooi
maar heus niet dom -
dorens geven macht.
De sprookjesprinses sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

Met een glimlach
om haar rozerode mond
sliep ze verder tussen
lakens van satijn
op een bed van dons,
hoorde niet hoe
de wijzers van
haar oude klok knerpten
de scharnieren knarsten
en zevenvoudig mekkeren    
uit het deurtje klonk.
Rosalinde sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

‘Verheug je en houd moed
nog honderdduizend dagen
dan komt Mama geit,
met aan haar arm
een rieten mandje, wijn
ook koek en ei
en zoete broodjes.
Houd vol, houd vol
het komt wel goed,
ze vliegt naar ons
in goudbesneden laarzen.’
Rosalinde sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

Toen kwam de wolf -
met zijn fluwelen stappen
benaderde hij stilletjes
nee, niet de klok
maar o, het zachte bed,
hij had een spliterwt
in zijn linkerklauw
die hij, terwijl zijn bek
de maagdelijke lippen
zocht, snel onder
het dons verstopte
Rosalinde sliep,
hoe dit straks af zou lopen
wist zij nog lange niet.

De koningsdochter schokte,
fronste, gaapte en
knipperde verstoord
haar slaapomfloerste ogen
‘Het is nog niet uw tijd,
ga heen gedrocht, affreus
die spliterwt en uw snor!’
Aanstonds verschrok het beest
en fleemde: ‘Heb geduld,
geef me een kans, ik
ben nu nog incognito.’
Rosalinde sliep niet meer,
wat hiervan kwam
lag in ’t verschiet.

Aleer de wolf nog verder sprak
verried prinsesje Roos
haar Koninklijke aard
en wuifde met haar handje:
‘Ga heen en spring
voor mijn part
uit uw harig vel’.
‘Zoals u wilt’, was zijn repliek
en stripte toen kordaat
zich zonder meer
tot prins in vol ornaat.
Rosalinde sliep niet meer,
wat hiervan kwam
lag in ’t verschiet.

Plotsklaps klaarwakker
riep Rosalien met huiver uit
‘O nee, ik ben verkocht
o hemellief, nu word ik bruid!’
‘Ik ben een sterke man
en u beslist een slimme vrouw’
sprak de veroveraar haar tegen
‘Ik weet voorzeker, Roos
daar komen mooie kinderen van’
en hierop reikte hij haar
heel beleefd zijn arm.
Het koningskind sliep zeker niet,
wat hiervan kwam
lag in ‘t verschiet.

Het was een wonderschone dag
met overvloed van zon
toen door een haag van
juichend volk de koets,
met prinses Rosalijn
en aan haar zij
de prins-gemaal,
hun nieuwe woonstee
het vorstelijk paleis bereikte
het waren glazen muiltjes
die aan haar voetjes prijkten
Het koningskind sliep zeker niet,
wat hiervan kwam
lag nader in ’t verschiet.

Op het balkon bezegelde het paar
de liefde met een lange kus -
De sprookjesprinses sliep
met deze prins-gemaal,
er lag iets nieuws in het verschiet
voorwaar ja, enkele jaren later
klonk op het landgoed
gezang van kinderstemmen,
het rijke nageslacht was mooi
dat was dus goed voorspeld.
Het bleef een sprookje en
jawel, de vele medespelers
leidden dus met elkaar
alsnog een lang gelukkig leven.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Ballade van de breinkelder

Eindelijk moest het ervan komen, zijn taak zou worden volbracht!
Als winnaar van gedichtendag, feit dat er niet om loog
hield dìt droombeeld hem voortdurend wakker in de nacht:
‘Verheffend bezig zijn, met dichters aan de toog ‘

Een rechterhand en zielsverwant was al gauw gevonden,
Als brave broeders  ging  het stel van start met de proloog:
Zowaar een hele kelder vol, waar zij versteld van stonden.
Nu konden zij ‘verheffend bezig, met dichters aan de toog’

Helaas, het liederlijk gezelschap werd abrupt verbannen
Uit deze diepe kerker, maar vocht zich razendsnel een weg omhoog.
Daartoe hadden Meyjes en de zijnen zich verrekte ingespannen,
Immers: zij moesten ‘verheffend bezig, met dichters aan de toog’

‘Enkel helden halen de hemel’ moesten de heren hebben gedacht
En gaven dankbaar gehoor aan Corrie’s lokroep van omhoog:
‘Komt allen in mijn boekenhuis, dan gaan we hier op eigen kracht
Verheffend bezig, met dichters aan de toog.’

Toch bleef het heimwee naar een kelder bij eenieder knagen
We zijn weer ondergronds gegaan, staan hier maar zelden droog
En zijn voorgoed ‘verheffend bezig, als dichters aan de toog.’

Greet Dijkhuis

De Ballade van de laatste spreker

Ik ben de laatste spreker van het congres
u kent me wel, ik ben degene die u ophoudt.
Ik ben de laatste horde,
ik ben de sta-in-de-weg voor het eind.
Ik weet, uw gedachten dwalen af naar zometeen,
als ik uitgesproken ben. Dan wacht u het eten,
de drank, de dans, en wie weet, de wijven,
maar het komend uur moet u nog bij mij blijven,
ik ben de laatste spreker van vandaag.

Ik ben de tarter van uw geduld en verlangen.
Ik reik tot aan de grenzen van wat u hebben kunt.
Wacht, nog een leuk voorbeeld uit Amerika.
Ik start mijn powerpoint voor u.
Ik maak u murw met mijn quotes,
ik heb ze altijd paraat in mijn mouw,
wacht, u had nog een vraag?

Ik ben de laatste spreker van vandaag.
Niemand die me graag ziet komen,
maar een moet er immers de laatste zijn.
En ik ben dat graag.

Ik ben gewend aan uw geroezemoes
Ik zie uw geloken ogen en het gevinger van uw mobiel.
Ik zie het gesmiespel met uw buurman,
ik zie u draaien en verzitten.

Maar eens weet ik u als publiek doodstil en ademloos aan mijn voeten.
Als ik aan uw groeve of aan uw baar sta.
En dat u dan weet: na de laatste spreker
wacht mij het vuur en de wormen, en de peilloze eeuwigheid.
En dat u dan niets, maar dan ook niets liever heeft,
dan dat u mijn woord, tot in het oneindige hoort.

Michiel van Hunenstijn

De redding

Ik rende voor m’n toekomst uit,
ik lag al op de rails…
Als door een natbeslagen ruit
zag ik opeens iets geels.

Toen keek ik goed: het was een bal
die naar mij toe kwam rollen.
Een kind riep: bal, ik ben er al,
kom op, dan gaan we dollen.

Ik schrok me rot, ik greep het kind
en sleepte het in veiligheid.
Daar was de trein: een wervelwind!
O kind, je kwam op tijd.

Jan van Laar

Josefien

Heb jij misschien de
historien van
Josefien gehoord?

Ze hield van vrijen
met atheisten
die ze had gescoord.

Maar aan fatsoen
bij het jojoen ver-
spilde zij geen woord.

Vandaar dat zij bij
gindse ruine
luidkeels werd vermoord.

(opgedragen aan de latinisten)

Jan van Laar

Een keer

Liefste waar ging je heen ereis weleer
Ik, je muze was ver van je weggeleid
Op een dag daar was je en vond mij weer
Het had mij alleen niet erg verblijdt
Hartverscheurend weende ik keer op keer
Zalvend en zwachtelend van mijn smart
Pijn als herinnering mijn ziel is uiteengerijd
Onsterfelijk is het branden van je hart

Moeilijk was het zonder jouw inkeer
Ondraaglijk het tellen met verwijt
Niets kan mij nu stoppen tot mijn bekeer
Jij, die lang gelee bij mij verglijdt
Jou zien opeens was een Hemelse eer
Aanschouwend het was maar een flard
De tijd oneindig met zuivere waarheid
Onsterfelijk is het branden van je hart

Zalig moment in die andere sfeer
Wroeging vormt zich en groeit met tijd
Ogenblik bereikt mijn prille levensleer
Langzaam komt daar besef en respijt
Zingend zal ik gaan en schitter op terugkeer
Geluk vaart voorbij als andere start
Dwaze vooroordeel beperkte mijn rijpheid
Onsterfelijk is het branden van je hart

Nu is de tijd voor het grote onderscheidt
Ik pak daar mijn deel een groot levenspart
Ik ben bereidt met alle zotten en narrengekheid
Onsterfelijk is het branden van mijn hart

© Violet Asseruit Mane

Counter Flow

Als ik
laat alles
Als jij
mag niets

Want wil stuurt
hoe duister soms
Zodat ieders kracht
een uitweg kiest

Dus denk minder na
voel vaker gerust
Laat schateren die lach
tot iemand je kust

Want wil stuurt
hoe lichtend soms
Opdat ieders macht
een spoor maakt

Als jij
laat niets
Als ik
mag alles

A
B
C
B
A

Maarten Douwe Bredero

dinsdag 31 juli 2012

Dichterscafé juli 2012

Dichterscafé juli 2012 - Onderwerp:
Gerrit Komrij – in verband met het  plotselinge overlijden van de dichter Gerrit Komrij, een graag geziene gast in Deventer bij Tuinfeest en Boekenmarkt.

Inpiratie op het werk van Komrij door:   
  • een van zijn gedichten te parafraseren (zoals Komrij zelf ook tal van bekende gedichten heeft geparodieerd)
  • een gedicht te maken in de stijl/trant van Komrij
  • zich door de persoon te laten inspireren tot een gelegenheidspoëem, zoals er dezer dagen al een aantal zijn verschenen (bijvoorbeeld door Ramsey Nasr).
Gedichten van deze bijeenkomst:
Zonder titel door Dick Smeijers
Gerrit Komrij door Michiel van Hunenstijn
In memoriam Gerrit Komrij door Erica Rekers
Vakantie op Sicilië door Erica Rekers
Komrij in Kopland door Wim van den Hoonaard
Schelp door Alfred Bronswijk
A Dutch Wildedoor Maarten Douwe Bredero
Verzoening door Jan van Laar
Woordvrij door Herman Posthumus Meyjes

Zonder titel

Vandaag ontmoette ik toevallig
Paul Celan ( 1920-1970) op weg naar het
Dichterscafe en verdronk

In de rivieren ten noorden
Van de toekomst
Werp ik het net uit, dat jij
Aarzelend verzwaart
Met door stenen geschreven
Schaduwen

In 1960 ontving Paul Celan de Georg Buchner Preis

Dick Smeijers

Gerrit Komrij

Het werd begin augustus, je werd in Deventer verwacht.
Maar je kon de uitnodiging niet meer vinden.
En ook niet de bescheiden van de reis.
Je koffer voelde vederlicht en van je boeken waren,
dat was wel wat vreemd, alle bladzijden helemaal wit.
De luiken waren reeds gesloten,
dat verklaarde vast de somberte in huis.

Van de vliegreis staat je niets meer bij.
Je meende, je was wat ingedommeld,
vaag je naam te horen, Gerrit kom, Gerrit kom.
Of iets wat er op leek. Het was vast de motorbrom.
Het zal wel, de stewardess had geen oog voor je.
En zelfs de  Holland Herald  bleef vreemd ongelezen.

Op de IJsselkade woei een koude wind je tegemoet
De handelaren keken ook al door je heen
hun boeken hadden ze met plastic afgedekt.
Je tastte rond, maar vond zo niks.

De nachtportier van het Gildehotel,
die je verleden jaar nog rode wijn schonk,
en  je complimenteerde met je 'Faust',
kijkt wezenloos en schijnt je niet te kennen.

In het Tuinfeestprogramma word je niet genoemd.
Je signeert een boek of wat, tevergeefs,
de bladzijde blijft wit, de inktpatroon is zeker leeg.
Je ziet de dichters en het podium.
Je klimt erop en posteert je voor de microfoon.
Als je wilt spreken blijft het stil.
Je kijkt op, de katheder is plots ver beneden.
Je zweeft, je weet, je bent gestorven.

Michiel van Hunenstijn

In memoriam Gerrit Komrij 30/03/1944 – 5/07/2012

Och Komrij
kom toch
dichter
bij mij

want net nu ook ik
de waarde ontdek
en met zin
tweet en twitter

boog hoe bitter
jouw tijdlijn van aarde

zomaar ineens
de hemel in …..

Erica Rekers

Vakantie op Sicilië

Terwijl ik op Si si li E ben
en mijzelf hier in het rond verken
laat ik u hierbij weten
dat had dit land
no no li E geheten
kon ik er nimmer zijn gestrand

Erica Rekers

Komrij in Kopland

Komrij met mij naar de kim
van den Hoofdakker om te ploegen
alvorens wij uit puur genoegen
zaaien daar een nieuw begin.

Langs 't zaaigoed gaan dichtersdromen
hun eigen weg en blijven komen;
niet het groeien doet soms pijn
maar het niet gelezen zijn...

Misschien zal deze dichter het nooit leren;
een oliebol weet wanneer-ie moet keren.

Wim van den Hoonaard

Schelp (In Memoriam Gerrit Komrij)

Hij is de schelp, die in een strak versteende buitenkant
zijn 'ik' met listen vrijwaart voor de ongenode blik.
Zelfs ingevangen in het allerlaatste ogenblik
geeft hij zijn wezen nog niet vrij aan het omringend land

Hij sluit zich af, vergrendeld in kolkende eenzaamheid,
en doet alsof hij hier, voorgoed bevrijd van elk getij,
zijn zelfontworpen hoogste waarheid is en schadevrij
ontkomen kan aan hinderlagen en banaliteit.

Hoe toch is de dichter aan zee en schelpen soortgelijk.
Nutteloos, verdwaald tussen wrakhout en de waterlijn,
belichaamt hij de absurditeit onder dit gewelf

en bouwt uit weefsels van klank en rijm zijn angstvallig rijk
vol met gepantserd afweer tegen aangeboren pijn.
Hij weet zich thuisloos. Overal. Behalve bij zich zelf...

Alfred C. Bronswijk

A Dutch Wilde

oude verzen wederom tot bloei
liefde voor taal reikt verder terug
bloemen
welke nimmer verwelken

vinnige repliek uit diepe zuiden
op afstand lomp scherp in vizier
toch
elke schets kon overal luiden

stond nederneigend tijdens betoog
wendende zinnen gevat in vlam
zo
gaf hij te horen ten eigen groei

Maarten Douwe Bredero

Verzoening

Als hoge torens naar de mensen zwaaiden
en ganzen dansten op het lege plein,
als zwanen in de vroege morgen kraaiden
en heidebloemen geurden als jasmijn,

als boerenknechten zongen bij het maaien
en terpentijn veranderde in wijn,
als jij je fiets m’n keukentje in draaide
en jij vanzelf een plaats kreeg in dit rijm,

als plotseling een warme wind ging waaien
die wegblies al ons wederzijds venijn,
dan sprong ik gauw op jouw bagagedrager:
je nam me mee, ondanks de zadelpijn!

Jan van Laar

(naar ‘Twee koningskinderen’ van Gerrit Komrij, 1944-2012)


Woordvrij

Ik wacht op het woord dat zich ontkent,
het woord dat niet gehoord wil worden.
Ik hoop op het woord dat trilt en zweeft,
tot stille stervenskreet verdort en
niets omvat dan nagalm van een klok
die lang geleden heeft geklonken
over het vlakke land van de herinnering
en in het ochtenduur tot fluistering is geslonken.
Dat is het woord dat mij verlossen zal
en uit de boeien zal ontslaan,
de schakels doorgevijld, het touw gesleten:
dan heeft het woord zijn werk gedaan
en zal met mij in diepzee troggen zijn vergeten.

Herman Posthumus Meyjes

donderdag 28 juni 2012

Dichterscafé juni 2012

Dichterscafé juni 2012 - Onderwerp:
klank poëzie

Jos Paardekooper geeft een inleiding op het thema klankpoëzie (onderstaand een korte voorbeschouwing):

Dat poëzie vorm en inhoud, betekenis én klank, is, is een open deur. Een van de duidelijkste criteria voor echt geslaagde poëzie, is dat het gedicht de lezer op beide fronten raakt, zo al niet frappeert.
Van die twee componenten – die uiteraard onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maar toch – wordt de klank het meest veronachtzaamd, zelfs in genres die het element ‘klank’ in hun naam dragen (zoals het ‘sonnet’, dat immers ‘klankdicht’ betekent). Tal van dichters hebben gepoogd ‘zuivere poëzie’ te maken, door zich speciaal, soms zelfs uitsluitend op de klank toe te leggen. In zijn meest abstracte vorm, d.w.z.; geabstraheerd van iedere betekenis, heet deze poëzie paradoxaal genoeg ‘concrete poëzie’. Geen wonder dat het vooral dada-dichters (Morgenstern, Hugo Ball, Tristan Tzara, Kurt Schwitters e.a.) en surrealisten zijn geweest die zich hierop hebben toegelegd.

Het wordt tijd dat we ons, na meer dan een jaar, ook maar eens gaan toeleggen op de klankcomponent. Het staat ieder daarbij vrij om meer of minder ver te gaan. Alles mag (alweer), niets is verboden (alweer). Wie ‘minder ver’ wil gaan, leze de prachtige poëzie van Paul van Ostaijen, zoals het wonderschone ‘Melopee’, waar de woorden elkaar door de klank oproepen (‘… Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man / waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee’).

Wie verder wil gaan, luistere naar kleine kinderen (die vaak de mooiste klankgedichten produceren, zonder het te weten), leze kinderversjes (‘Slaap als een reus, slaap als een roos, slaap als een reus van een roos’), of luistere naar de natuur, die o.a. inspiratiebron was voor Jan Hanlo (‘Tjielp tjielp’, de voorloper van het wereldwijde getwitter). Of hij/zij sla er Lewis Carroll op na, de grootste onder de nonsense-poëten, met zijn befaamde nonsense-vers ‘Jabberwockie’in Through the looking-glass (‘Twas bryllyg and ye slythy toves…’).
En bedenke dat ‘nonsens’ niet voor niks zo heet: het is taal, die nochtans no sense, geen zin, geen betekenis heeft. Maar geldt dat niet ook voor de muziek, en voor abstracte schilderijen, die juist enkel door hun kleur of compositie kunnen ontroeren?

Gedichten van deze bijeenkomst:
Bielariedoem door Alfred Bronswijk
Groene weiden door Jan van Laar
Pa door Michiel van Hunenstijn
Je zat al lang met iets door Michiel van Hunenstijn
Kei door Violet Asseruit Mane
Quatro door Maarten Douwe Bredero
Sms-'gedicht' in morse door Wim van den Hoonaard
Al een kist, krat of vat van de Phoenix gehad? door Herman Posthumus Meyjes
Bij de Dikke van Dale door Herman Posthumus Meyjes

Bielaridoem een klanksonnet in f-mineur

Er was, weelee wiela, bielaridoem,
Geneemd van onne strolte protten,
Een zie van zo tot aan zeezaminoem
Vut vraselaak te ver te rotte.

Het bumpte lumper dan de voele stroe.
Gedangelangend kast an korsten
En zemend tegendelend zeeën hoe
De uitwuivers verluizigd morsten.

Ik stond, weelee wiela, geraniejoem:
Pepie, papa perla pelotten!
Aan laver dada klaver op den moe,

Zodat, hoe voegeloerend baster doe,
Lui levig lakkar lisjalotten,
Voortaan - oh loe, oh loe - bielaridoem...

Alfred C. Bronswijk

Groene weiden

Ajo kabajo,
waar is de wind,
waar is de
ajo kabajo wind?

               Die is van de kale stranden
               met de noorderzon vertrokken,
               zoekend naar de groene weiden
               bij de boerderij van Josken.

              Voortgedreven door die wind
              komt een vogel aangevlogen:
              zomerzanger wielewaal.
              Veilig landt hij in de weiden,
              ‘dans les prés’ in Joskens taal,
              en oefent daar zijn repertoire.

Dudeljo, is zijn lied,
dudeljo, is zijn lied,
              dít is wat hij zingen kan
dans les prés,
dudeljo,
nee, anders niet,
anders niet.

              Josken hoort hem, zingt hem na,
              vindt dan ook een and’re taal:
ubi
tubi
jubilate
angelina
pange lingua
dans les prés
dans les prés du bonheur,

              en zijn naam verandert mee,
              verandert mee
tout à l’heure,
              en die naam gaat met hem mee
pour toujours:
Josquin des Prés!

              Zijn missen, motetten,
              chansons voor amourettes:
              zij vliegen als de wielewalen,
              nachtegalen, goudfazanten
              op de zomerwinden,
de luchtige,
vluchtige
ajo kabajo
winden mee,
              naar weiden die zij
              elders vinden.

Jan van Laar

Pa

Pap papa papa papa pap
pap pappa pap papa pap
papa pap papa pap
pap papa?

Pa, pa pa pa pa!
pa pa papapapapapa!
Papa! Papa! Papa!
pa pa pa pa pa pa

Pa pa pa pa pa
pa pa pa pa
pa   papa pa  pap?

Michiel van Hunenstijn

Je zat al lang met iets

Je zat al lang met iets, je moest je vader bellen.
Voor een bezoek was de afstand immers veel te groot.
Maar het had geen zin  hem op te bellen,
de man was immers al jaren dood.

Ook vroeger hebben jullie nooit zo veel gesproken.
Jij was nogal op jezelf en hij nogal gesloten.
Nu zit je met dat oude zeer en al die grieven,
eigen schuld, men had nog zo gewaarschuwd:
doe het nu, praat, eens is het te laat,
Maar jij gedroeg je weer 'ns nors en schuw.
En waarom had hij nooit gereageerd op al je brieven?

's Nachts malen jullie conversaties door je hoofd
alles fictief, gewenst, gehoopt, vervloekt
hij zegt toch nooit waar jij op had gehoopt.
Misschien dat het gesprek anders loopt
als je hem vannacht opnieuw bezoekt.

Michiel van Hunenstijn

Kei

Kasseien plaveiende kasseien gaan heen
Plaveien kasseien voeten plaveiende zich op steen
Besteende voeten plaveien heen op loze kasseien ween
Beweende teen voet gaat heen op kasseiende plaveiende steen

Steen zie de teen op kasseien neem het been
trek de  plaveien heen
Gaat heen met de kei neemt dapper het been
de plaveiende weg beween

Voet gaat weg neemt kasseien mee aan het been
leen de afdruk en gaat heen  
Plaveiende kasseien plaveien gaan heen
voet op het uitgemergelde been

Violet Asseruit Mane

Quatro

Dan zal
toch nog
hetgeen verscheen

na louter vertrouwen
langzaam aan
in sex betrekken

Door voor
het geile geld

keer op keer
met liefs te vernielen

Maarten Douwe Bredero

Sms-'gedicht' in Morse

.-  -.-. ....
....  .  -...  --  .  .  .-..  -.--
--  .  -  -..  .
-..  ..  -.-.  ....  -  .  .-.
-..  ..  .  --..  ..  .---  -.
....  .  .-.  ...  .  -.  .-.  ---  .  .-.  ...  .  .-..
..-  ..  -

(- is 'dah' en . is 'dit').

Wim van den Hoonaard

Al een kist, krat of vat van de Phoenix gehad?

Voor de oorlog reclametekst
langs de weg tussen Haarlem en Amsterdam

Neen, nooit heb ik een vat van de Phoenix omvat,
noch een krat, droog of nat, bij de kladden gehad,
laat staan dat ik een kist van de plank had gegrist.

Neen, nooit was het zo dat ik een deurmat bezat,
noch een kikker of pad had vertrapt op mijn pad,
tenzij ik mij door een kwistige list had vergist.

Want elk heeft wel wat en valt hard op zijn gat,
nuchter, ladderzat, of bespot en bespat,
als een valk in de mist of een kalf in zijn kist.

Ik ben geen wijze in een vat of ontdekker in bad,
ooit stapte ik op een rat in een smachtende stad,
van Lazaar in zijn kist had ik mij vergewist.

Ik ben gebrand en geschat en mijn kat zet mij mat,
mijn handstand gejat en mijn wanden beklad,
mijn liefde betwist en mijn lot onbeslist.

Dus mij niet gezien met een kast, krat of lat
ook zonder dat ging ik vaak genoeg plat,
want steeds had ik mij dieper vergist dan ik wist.

Zo – dat was dat.

Herman Posthumus Meyjes

Bij De Dikke van Dale

mjum, mjam, mjum, mjam, mjum, mjam, mjum, mjam, mjum,mjam, mjom, mjim, mjom, mjim, mjom, mjim, mjom, mjim, mjom, mjum,
brro, brre, brra, brru, brro, brre, brra, brru, brre, brro, brra, brru,
cha, chu, cho, che, chu, cho, che, cha, chu, cho, chr, cho, che, chuu.

En meneer – heeft het gesmaakt?
Nee, de volgende keer neem ik iets anders.

Herman Posthumus Meyjes

donderdag 31 mei 2012

Dichterscafé mei 2012

Dichterscafé mei 2012 - Onderwerp:
inspiratie n.a.v. werk van Herman Gorter

Als intermezzo een anekdotische bijdrage van Herman Posthumus Meyjes over de relatie tussen zijn grootmoeder en Herman Gorter, met als titel ‘Een klein familieverhaal’. waarvan we allen een afdruk krijgen om nog eens na te lezen.
Als laatste levert Jos Paardekooper een poëtische bijdrage op het werk van Gorter. Ook hiervan is voor iedereen een afdruk.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Erosie door Jan van Laar
Gedicht van de meimaand door Erica Rekers
Geraakt door Sieth Delhaas
Mei op Kreta door Benne Solinger
Whisper door Maarten Douwe Bredero

Erosie

Je bent verdwenen,

wie weet hoe lang geleden, hoe lang
al voordat ik het wist, voor ik het had
gemerkt. Je verdween uit mijn
bestaan, maar je bent er nog wel.
Hoewel ik je niet kan horen, of zien of
voelen. Je bent er,

in zekere zin.

Immers, ik droom je tot gestalte. Ik
verzin je tegen de klippen op met
golven van verlangen, pijn en
ongeduld, met golven die de rotsen
teisteren en uithollen.

Mijn fantasie werkt als erosie, die
jouw beeltenis niet met water uitwist,
maar uit koele steen tevoorschijn
roept.

Ik vind geen rust aan deze kust.

Jan van Laar

Gedicht van de meimaand

‘t Was op een dag in mei
dat ik met een lach op mijn gezicht
zwichtte onder het gewicht
van mijn zinnen
voor hem
Is ’t mijn innerlijke stem
die mij 
bij hem binnen lijd
‘k dolend de geuren die hij verspreid
volgend
Neem zó veel waar
Ziende blind dat ik hier staar 
naar wat heet een winkel
en laat me verleiden
want in mei
kan alles me verblijden
Open loop ik het pad
Opgeheven hoofd
Wie maakt me wat
en aanschouw de materie
Als ik hém plotsklaps zie
Rubus
Deze genetisch gemanipuleerde versie van zichzelf 
weet niets van het waarom
Doornroosje in mei huilt
Daar in zijn doornloos bestaan
het einde van haar sprookje schuilt
en sluit de rij
naar de kassa 

Erica Rekers

Geraakt

Hij 1 kwam tot mij
vanuit de context van haar
die omstreeks ’t midden van haar dagen
verdwaalde in levens donker woud. 2

Zijn sonnetten
haar geraakt zijn
doen haar rijken naar eigen bron.

Voor het eerst haar woorden
- volkomen zuiver -
breekt haar stem onweerstaanbaar door.3

Sieth Delhaas

1. Herman Gorter (in het kader van 'Gorter' als onderwerp van Deventer Dichterscafé 29.5.2012).
2. Zie: Henriëtte Roland Holst-van der Schalk's bundel De vrouw in het woud (Rotterdam 1912), waarin het 1e sonnet
    begint met de regels: ' Ook ik ben omstreeks ‘t midden mijner dagen/ verdwaald geraakt in levens donker woud'.
3. Zie: Henriëtte Roland Holst-van der Schalk, Het vuur brandde voort (Amsterdam 1949/1979 3e dr.) pp. 66-67.

Mei op Kreta

Langs het mooie warme Kreta zeestrand
waar ik met lief Jenneken ben beland,
brandt de zon aan een hemel van azuur.
Gestuwd door de meiwind, vaart op dit uur
een catamaran voorbij en je ziet
in ’t water haar vaarsporen in t verschiet.
Het smaakt naar een koel verfrissende duik.
De Egeïsche Zee lijkt op een fuik,
want.. kan dat hier naakt? De zwembroek ligt thuis,
komt er politie.. dan ben ik: ‘abuis’.
Of doen we het niet en lopen we door
naar die ruige stoere bergen, waarvoor
we ook zijn gekomen. Flora zo mooi,
duizenden kleur/geuren houden pleidooi
om snel te komen en te genieten
aan het zeestrand geen kuit te schieten.

We kiezen ’t laatste, verlaten het strand,
lopen het land in, langzaam omhoog, want
klimmen dat moet hier, de bergen zijn steil
en kom je wat hoger, zie je een zeil
heel in de verte, een diepblauwe zee.
De geurende bloemen, tellen hier mee,
paars, lila, zilver, rood, geel, blauw en groen
zomaar wat kleuren die het hier goed doen.
Heel veel zwerfkeien, steiltes en holen
Kreta: “heel hartelijk aanbevolen.”

Maar in de hoofdstad Heraklion, daar
zie je vlaggen, veel mensen bij elkaar.
Ze demonstreren tegen Europa
de regering, de heersers. Een opa
zit met trillende lippen. Zijn rolstoel,
het geef mij een naargeestig voorgevoel,
is roestig en vuil, zijn kleding gescheurd,
je vraagt in zo’n land –‘wat is er gebeurd?’-

Veel werkeloosheid, toerisme blijft uit
het  land is in rouw en gaat onderuit
als de striemende gesel niet ophoudt.
Europese dictatuur, die afhoudt
van creativiteit, de Griekse volksaard,
liefde, rust, geluk. Zo’n crisis onwaard.
Geloven in God, zijn hulp, een refrein
het geeft hen rust, orthodox als ze zijn.
Verkiezingen komen, hun stem telt mee
op Kreta, wonderschoon eiland in zee.
Blijf op je eigen volksaard gefocust,
voor  liefde, vrede, geloof, moed en rust!
Dan blijf je, ook in de toekomst, de plek
met bergen, zee, schoonheid, voor elk in trek!

Benne Solinger

Whisper

Beperk je tot dat ene

welke telkens voor je vervliegt
Ongrijpbaar
hoewel immer in verschiet

Zoek niet langer
buiten de klank
of kleurschakering
in elk licht
Ondeelbaar
zonder een ander

Loop recht naar het wezen
met geur en smaak voor twee
Alleen dan weet je weer

om wat je geeft

Maarten Douwe Bredero

donderdag 26 april 2012

Dichterscafé april 2012

Dichterscafé april 2012 - Onderwerp:
Festina Lente in de betekenis: Haast u langzaam (uit het Latijns vertaald), maar ook als viering van de lente, het feest van het nieuwe, ontluikende voorjaar.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Festina Lente bij de Jumbo door Michiel van Hunenstijn
Festina Lente door Wim van den Hoonaard
Een rotmug in mei door Alfred Bronswijk
Hedwige door Herman Posthumus Meyjes
Spring Experience door Maarten Douwe Bredero
De vooruitloper door Erica Rekers
Mirabilis Japala door Erica Rekers

Festina Lente bij de Jumbo

Groet ik god Van Eerd bij het hekje,
lees de zeven zekerheden,
en pak mijn frisse gele mandje,
slalom langs de bakken en
loop achter vrouwen die leunen
op hun winkelwagentje
met hun grote platte kont naar achter
Ik kijk niet maar ik kijk wel.
Weten ze wel wat chips per kilo doet?

Gangpad bier, Leffe Blond, tweede pak halve prijs
'David, extra kassa erbij alsjeblieft'
Het gangpad, de schappen, mijn lijstje: de route is bepaald.
Rechts voor de biomelk en daarna links de chocola.
De vakkenvuller, geelgestreept bedrijfstenue, maar wel
de broek half op de kont, wie maakt me wat,
zoekt mee naar de muntthee.

De witgejaste kok staat in zijn kraam
roert, bakt en prijst aan.
Ik kan de vette geuren niet verdragen,
ik krijg het warm, benauwd
en haast me buiten zijn bereik.
Ik moet naar buiten toe.

Daar is al de postzegeltelefoonkaartenfotoservicekraslotentabakbatterijenscheermesjesstomerijservice-balie
De uitgang, nog vier, vijf stappen nu
ik kijk om, Van Eerd, god, hij is verdwenen
dan, een hand plots op mijn schouder,
en een stem die zegt:
'gaat u even rustig met ons mee meneer?'

Michiel van Hunenstijn

Festina Lente

(vrij vertaald: Lentefeest)

Door gekleurde ruiten
tuur ik doorgaans naar buiten
en vind na lange winternachten
geruststelling in een gedachte:

Ook later zijn het anoniemen
die ondanks mij ontkiemen
want ik ben hier toch maar even
maar eeuwig viert de lente 't leven!

Wim van den Hoonaard

Een rotmug in mei

(Parodie op de Mei van Gorter)

Een nieuwe lente en weer dat geluid:
Ik wil het niet horen, dat vrees'lijk gefluit
van zo'n rotmug als in een zomernacht.
En dát in mijn stad aan een watergracht.
In huis was het donker, maar de stille straat
lokte die krengen, van vroeg tot heel laat.
Noch flitsspuit,  noch knoflook en zure azijn
joegen de duivels van mijn raamkozijn.
Hun zoemen klonk mij als een orgelpijp,
een fuga vol venijn. Ze leken rijp
om aan te vallen in de lentewind,
zoals een vampier aan zijn maal begint.
Ze bekropen mijn lakens, zelfs op de wal
van mijn antimuggencrème; overal
die bloeddorstige beesten. Onbewust
vervloekte ik mijn dag en avondrust.
Ach, menig moe man, die ooit als avondmaal
dient voor prikgespuis, kent dit oud verhaal:
moedeloos,  en een hand die 't venster sloot,
talmde, wijl binnen weer zo'n rotmug floot.

Alfred Bronswijk