donderdag 19 december 2013

Dichterscafé december 2013

Dichterscafé december 2013 - Onderwerp:
Un violon dans la nuit

Een geliefd thema van Herman Posthumus Meyjes.
Zie ook:  http://www.youtube.com/watch?v=RV6GX1oeogA

Deze bijeenkomst is er geen inleiding op het thema.

In dezelfde taal als het thema, een mooi gedicht van Paul Verlaine, voorgedragen door Tinus Derks.

Chanson d'automne
Les sanglots longs
Des violons
De l'automne
Blessent mon coeur
D'une langueur
Monotone.

Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l'heure,
Je me souviens
Des jours anciens
Et je pleure

Et je m'en vais
Au vent mauvais
Qui m'emporte
Deçà, delà,
Pareil à la
Feuille morte.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Ommekeer door Jan van Laar
Luduvudu door Alfred Bronswijk
Da Pacem Cordium door Violet Asseruit Mane ©
Un violon dans la nuit door Cees Leliveld
Er klonk een viool door de nacht door Michiel van Hunenstijn
Un violon dans la nuit door Wim van den Hoonaard
Ode aan een viool door Sieth Delhaas
Zing voor mij door Dick van Welzen
Un violon dans la nuit près de Deventer door Pieter Bas Kempe
Un violon dans la nuit door Erica Rekers
Ante in Memoriam door Neletta van Heuven
Un violon dans la nuit door Herman Posthumus Meyjes
Een bijdrage aan de discussie door Dick Smeijers
Un violon dans la nuit door Dick Smeijers
Concertgebouw door Niels Klinkenberg
Un violon dans la nuit door Theo de Jong
Souvenir door Nele Holsheimer
Voorjaar door Marianne Sorgedrager - Van Halewijn ©
Africa Now door Maarten Douwe Bredero
Een gedicht door E. Rouveroy van Nieuwaal

Ommekeer

Verward en wanhopig loop ik door
de duisternis. Ik ben op weg naar

het verlokkende water. De nacht
lijkt even zwart als ik vanbinnen

ben. Plotseling daalt er vanuit het
laatste huis vioolmuziek als een

zachte regen op me neer, als een
troostende boodschap zonder

woorden, maar van een ongewone
helderheid. De herkenning is

overweldigend: ‘Dat is Bach,
vermomd als een chaconne;

Bach, hij heeft mij opgewacht!’
Dan keer ik om.

Jan van Laar

Luduvudu*

Nog zoek ik de ogen die mijn hart bezielden,
de handen, voeten, haren en de mond
van haar, die mij die stille morgenstond
deed geloven dat wij van elkander hielden.

Moet ik alle goden om vergeving smeken,
omdat zij zee was zonder grond, noch strand
en ik kastelen bouwde op los zand?
Was de mij geboden kus  een judasteken?

Rond  dwaal ik nu in kille, verlaten oorden.
Gebroken is de tak, verdord mijn blad.
Véél hel, té weinig paradijs krijgt wie verwacht

dat de liefde louter spreekt in scheppingswoorden.
Want, later blijkt dit, en niet méér dan dát,
slechts vals violenspel uit een verloren nacht.

Alfred Bronswijk

* afkorting voor 'liefdesverdriet'

Da Pacem Cordium

Radeloosheid kronkelt in hem, terwijl
brieven dronken naar beneden vielen.
Zijn ziel, eeuwig gebroken en toch bidt
hij om vrede.

Gekweld door pijn pakt hij de viool. Zachtjes
betast hij een snaar en neuriet stil in Glorie:

Da Pacem Cordium
Voor haar Hart
Da Pacem Cordium
Voor zijn Hart

Kalende nacht en tuurt hij boven. Plots
ziet hij een Gaal, die neder sproeit:
Da Pacem Cordium.

©Violet Asseruit Mane

Un violon dans la nuit ……

Nous entendons
un violon
dans la nuit.
IJle klanken in de nacht
vervoeren ons
tot dromerige mijmering.
Helaas!
Ik moet uw zoete euforie doorbreken
vanuit een bitt’re werkelijkheid.
Het is in klank gestolde wanhoop
van een werkloos geraakte Zwarte Piet.
Chômeur geworden!
Uitgestoten
Door een stel
politiek correcte idioten.
Zelf was ik ooit,
in een alweer ver verleden
een meester
in het être et avoir.
Maar daar is tot mijn spijt
door verruwing van de zeden
al lang geen vraag meer naar.
Nous entendons
son violon.
Weeft ijle klanken
in de nacht.
Omlijsting
van onze passé defini.
En daar is
geen woord Frans bij.

Cees Leliveld

Er klonk een viool door de nacht

Er verbleef een vreemde gast in het hotel.
Hij schuwde elk contact, sloot zijn deur,
ging de wereld uit de weg.
Hij dronk alleen maar wijn
en at alleen maar bittergarnituur.
Hij sliep terwijl het dag was
en zijn nacht was zijn dag.
Het was een flamboyant figuur,
hij was waarschijnlijk muzikant,
en hij was ook niet van hier.

's Nachts was hij voortdurend aan de telefoon.
Je hoorde zijn gepraat de hele tijd.
Hij zei dat er een vrouw onder zijn douche stond,
en dat er een vrouw in zijn bed lag.
Maar er was geen vrouw: hij was alleen.
Hij was daar alleen met zijn viool.
Er was geen vrouw, het missen:
dat was de gevoelige snaar.

Hij wilde niet naar buiten
hij wilde niet vertrekken.
De wijnglazen lagen in scherven
tussen de restjes van het
bittergarnituur in de hoek geveegd.
En zijn deur die bleef op slot.

En daar klonk 's nachts weer die viool door het hotel,
de klanken kringelden door de gangen,
van de torenkamer tot het souterrain.
De viool sprak van liefde en verlaten, spijt, het oud verhaal,
en iedereen hoorde de weeklaag helemaal.

Zijn vertrek kwam door platte pet en harde hand tot stand.
Hij werd samen met zijn viool buiten de stad gezet.
Maar nog jaren nadien kon men bij oostenwind
nog die viool horen klinken door de nacht.

Michiel van Hunenstijn

Un violon dans la nuit

Entendez là, cette bruit!
C’est notre pauvre chat Mimi?
Qu’est-ce qu’on fait, rester en lit?
N’allez pas dehors, je vous en pris!

Mais n’aiez pas peur, ma chérie,
Je vois Mimi en dormant ici,
Je crois c’est une chose de mimicri:
Un violon, seul dans la nuit.

Wim van den Hoonaard

Ode aan een viool

Zo was hij
als een viool in de nacht
een ebbenhouten
deunend het oude liedje

tot na driekwarteeuw
een gloren glanst
aan een nog verre horizon

Nelson Mandela (1918 – 2013)

Sieth Delhaas

Zing voor mij

Een viool speelt zacht alleen
voor ons het lied dat deze nacht
omhelst, ons in vertelsels smoort
over hoop die bij de liefde hoort
en bij levenslust – hoe wij samen
onder de blootste hemel luisteren,
hoe het lied ons kalm overweldigt,
ons dronken voert, kom toch
vanavond in mijn armen fluisteren.

Zing voor mij in deze droomnacht
je zoete stem wiegt mijn opwinding
zing voor mij, als je lied zich verheft
lijkt alles in mijn ogen vol van pracht
in deze droomnacht is alles mooier.

Sinds de tijd dat je mij verliet
dool ik rond in chagrijn en spijt
het lied dringt me dieper terug
in herinnering aan alle dagen
die vervaagden, vanavond echter,
gelijk de geur van vervlogen vreugden,
speelt een viool weer het gerucht
dat maar door mijn kop blijft zagen.

Zing voor mij in deze droomnacht
je zoete stem wiegt mijn opwinding
verzacht mijn zorgen, zing daarom voor mij
lento tot in de kleine uren, deze droomnacht
bloeit in mijn hart het geluk weer op.

Dick van Welzen

Vertaling/bewerking van ‘Un violon dans la nuit’ (Tino Rossi).

Un violon dans la nuit près de Deventer

(vrij naar Blok & Chlebnikov)

Macht, kampvuur, arbeid, stenen hamer:
het al te oermens’ lijk bedrijf
tijdens ’t Kwartair te Steenenkamer,
met niets dan huiden om het lijf…

Toen ving de oerviool te spelen
aan in a klein: de hamer viel,
en arbeid alle vuur verdeelde
verwarmend over nacht en ziel.

Pieter Bas Kempe

Un violon dans la nuit

Een viool in de nacht
en ik
ik wacht en wacht en wacht
op die ene klank
die mij vervoeren zal
in nieuwe vormenl
langs nieuwe wegen
zal inspireren
de leegte
van het papier
hier voor mij
te vullen
met een trilling
de stilte
te transformeren
even maar
maar toch
gehoord

Erica Rekers

Ante in Memoriam

Is weldra alles écht te weten
Door de wisse wetenschap
In diens hoge aanschijn zweten
Maakt ons oh zo strak en knap
In de berm verpietert de verwondering
Over zwermen vogels in de lucht
En dichters worden dra tot zonderling
Hun ijl elan sterft in een zware zucht
Verduisterd raakt hun aureool
De wereld driedimensionaal
n de verte huilt nog een viool
Verloren de oren voor haar wondere verhaal.

Neletta van Heuven

UN VIOLON DANS LA NUIT

                          I
Op het perron van mijn verwachting
zag ik u niet langer staan.
U bent aan mij, die trots vereent met zelfverachting,
in wolken stoom voorbijgegaan.
De muziek heeft niet voor mij weerklonken,
ik stond niet in de juiste stand
en was in weemoed weggezonken
toen de lang vergeten tango zong over het land --
over het land, over het water,
door de lucht, en door het fluisterend riet,
u noodde mij ten dans, maar ik reageerde niet,
u streek mij aan, maar ik vibreerde niet.
Ik ben een zwijger, niet een prater.

                        II
Langzaam, langzaam keer ik weder
uit de nevelen van mijn hart;
afgelegde avondkleding stemt mij teder
en liefdes listen raken geleidelijk ontward.
Langs zwart-witte schaduwen, die lang mij heugden,
-- de slanke middels die ik mocht omarmen --
volg ik verwoed het spoor naar vroeger vreugden
tot ik opnieuw bezwijk voor uw vertrouwde charme
en ik opnieuw de klanken hoor
waardoor ik keer op keer ontspoor.
Langzaam keer ik terug, dekking zoekend bij het lied
dat mij in al die jaren nooit verstiet.
Maar ik weet inmiddels wel aan wie ik toebehoor.

Herman Posthumus Meyjes

De titel is ontleend aan een destijds (1935) overbekend lied, zoals gebruikelijk als tango gebracht, van de Frans-Corsicaanse zanger Tino Rossi, ”chanteur de charme”, (1907-1983).

Bijdrage aan de discussie

poëzie spreekt voor zich zelf
wij doen er het zwijgen toe
veelstemmig klinken de woorden
luisteren met open oren
zien verre landen
mooie stranden
vergeten horizonten
en horen Violen bij nacht...

Dick Smeijers

Un violon dans la nuit

Als een viool bij nacht
Hoor ik jouw stem
Proef ik de klanken
Beluister heel jouw wezen
Jouw stem, jouw zachte stem
Nu speelt nog slechts jouw stem
Die mij verloren jou laat vinden
Als een viool in deze nacht.

Dick Smeijers

Concertgebouw

Heel nerveus, de wind die snijdt
Door jas en jasje, overhemd.
En in mijn hand een klein boeket
Mimosa stevig vastgeklemd.

Ik wacht verliefd. De achterdeur
Is dicht. Als zij daar straks verschijnt
Bied ik haar dan als dank voor klank
Voor ze voorgoed verdwijnt

Mijn bloemen. Het duurt wel erg lang;
Ach als ze toch eens wist
Hoezeer ik op haar wachten wil,
Mijn liefste violiste…

Ik wacht, al is het uren lang,
Op haar daar in de kou,
Daar achter het concertgebouw….
Mijn lief, och kom toch gauw!

Dan piept de deur en ze verschijnt,
Luid pratend met z’n drieën,
En ik, verblind, ga op haar af.
Met trilling in mijn knieën

Bedank ik haar. Ik stamel wat:
“Zoals u Bach deed klinken…”
Ik bied haar mijn boeketje aan…
Ze lacht… ik wil verdrinken,

Wil zeggen hoe ik van haar houd:
Haar spel, haar lach, haar tanden,
Waar tussen die charmante spleet…
Maar woorden vind ik niet. Wat heet,
Ik bloos, mijn wangen branden.

Ze lacht. Ze neemt de bloemen aan.
Ze lacht zo ongedwongen,
En zegt dan zacht tegen haar vriend:
“Wat leuk zo’n puberjongen!...”

Ik sta daar dan alleen, verward,
Onzeker, maar ook blij,
Want net nog voelde ik haar handen,
En zag haar lach tussen haar tanden,
Mijn groot idool, Emmy Verhey.

Niels Klinkenberg

Un violon dans la nuit

Denk achteruit, wat er vaak was:
nachten dansen op het ritme van je hartslag,
dagen uit wandelen, hemel de kleur van cliché,
aan zee iemand zoeken, de verkeerde vinden.

In je pijpenla het gepriegel met woorden
als met breekbare bordjes jongleren
om het jongleren af te leren.

Denk achteruit, wat vaker ontbrak:
nachten dansen op het leven dat muziek maakt,
dagen door sjouwen, de zon een tent in de regen,
aan zee vol verbazing de branding zien branden.

In je pijpenla het gepriegel met woorden
als echte kaarsjes in de kerstboom,
kitsch misschien, maar levensgevaar.

Wees tenslotte eens eerlijk: wanneer
trekt denken zich iets aan
van het bestaan?

Theo de Jong

Souvenir

Blauwe iris, tekening op papier,
en ingekleurd met mijn verlangen,
had ik hem gebracht.
In de droge rivierbedding zat
een jongen met gekruiste benen
fluit te spelen.
We lieten platte stenen
in springende bogen
over het resterende water scheren.
Die nacht nam hij me mee,
trok me langs stenige paden
naar boven, de berg op,
waar ik met mijn handen
de sterren kon aanraken.
De blauwe bloem is nu, denk ik,
na zoveel jaren, vergeten of verscheurd.

Nele Holsheimer

Voorjaar

Schrille, verkillende klanken in de nacht
van niet gestemde violen aangestreken
door onbekwame zoekende kinderhanden

Door merg en been toenemend snerpen
janken en jammeren dat slapen verstoort
onmenselijk atonaal lied vol dissonanten

Mijn kat en de kater van de buren in
muzikale tweespraak, zinnelijk duet van
hunkerende hormonen in verwarring

Stel je voor dat wij vrouwen, wij mannen

© Marianne Sorgedrager - Van Halewijn

Africa Now

Vloeiend zwart lijf
met wiegende spieren

Jouw oogluikende lach
in rithmische kleuren

Op klanken ver terug
naar zwoele geuren

Gun opnieuw een dans
zonder te versieren


Cradling black body
with muscles in bless

Your colorful laugh
shy rhythmical bend

On tunes far back
to that sultry scent

Bestow one new dance
without making a pass

Maarten Douwe Bredero

Een gedicht

ik had je  willen geven
hoe mooi het was,
gisteren
bij mij
een hemel zwaar  van
regen
niet bij mij
aan jou mijn vergezichten schrijven
waartussen stadjes liggen
met jou verdwalen in mijn woorden
eeuwen voelen door een kleine stad
hoe de mensen daar
vreugd’ en leed beleefden
bij ‘t haventje
waar “Dokter Pulver Zaait Papavers”
tot beeld kwam
je door mijn tranen heen
beschrijven
hoe ik een verliefd stel zag lopen
en dacht
zou ooit een vrouw
mij zo de adem benemen
door geur, kleur en pas?

Emile Rouveroy van Nieuwaal

UN VIOLON DANS LA NUIT

Denk achteruit, wat er vaak was:
nachten dansen op het ritme van je hartslag,
dagen uit wandelen, hemel de kleur van cliché,
aan zee iemand zoeken, de verkeerde vinden.

In je pijpenla het gepriegel met woorden
als met breekbare bordjes jongleren
om het jongleren af te leren.

Denk achteruit, wat vaker ontbrak:
nachten dansen op het leven dat muziek maakt,
dagen door sjouwen, de zon een tent in de regen,
aan zee vol verbazing de branding zien branden.

In je pijpenla het gepriegel met woorden
als echte kaarsjes in de kerstboom,
kitsch misschien, maar levensgevaar.

Wees tenslotte eens eerlijk: wanneer
trekt denken zich iets aan
van het bestaan?

Theo de Jong

donderdag 28 november 2013

Dichterscafé november 2013

Dichterscafé november 2013 - Onderwerp:
Erik of het klein insectenboek van Godfried Bomans (het boek van de actie Nederland Leest van 2013).

Deze bijeenkomst is er geen inleiding op het thema, wel draagt Jos Paardekooper onderstaand gedicht voor van de onlangs overleden dichter/schrijver Gerrit Krol.

Herkenning

Een politieman te paard
deed mij van achteren denken
aan een meisje, niet de man,
maar het paard, ik wist niet
wat het meisje ermee te maken had,
niet meer over nagedacht - 
maar later ontdekte ik
 wat het was
haar paardestaart.
Gerrit Krol

Erik is dood

Ik ben al zo lang dood. De vezelige massa onderin mijn lege schedel,
ooit mijn hersenen,
voelt aan als droge mest.
Er tikken pissebedden in mijn schedel. Ze houden me wakker.

De maden waren me genegen, voelden zich thuis, eet jongens,
want dit is mijn lichaam.

Ik lig hier in dit ondiepe graf, het regent, ik word nat, ik zie het blad verteren.
Ik ben Erik.


Van het begin herinner ik mij de teek. Ik was nog vers. Hij hechtte zich erg aan mij.

Val de teek niet te zwaar. Neem het hem niet kwalijk.
De teek is zoals wij: hij doet wat hij kan.

's Avonds en 's nachts houden de cicaden me wakker met
hun oorverdovende geluid.

Of zijn het misschien roestige fietsen, ik kan het van hieraf niet goed zien.

De slak is ongewerveld en is weekdier, glibbert en glijdt,
en is geen insect maar past wel 
binnen het formaat. Voer hen meloen,
voer hen komkommer, 
en zij weten waar en wanneer.
Zij zien niet, maar zij weten, zij weten.
En daar zijn zij naar op weg, met hun voelhorens.

Ik voel ze langs mijn ellepijp, langs mijn heup, de slakken, zij voelen, zij weten.

Uit mijn knie groeit een pinksterbloem. Het staat wel vrolijk.
Maar het is tamelijk bizar

Vandaag was ik jarig geweest. De spin hangt ondersteboven in zijn web,
de wespen 
zitten op de appeltaart, hoera. De mug is daar voor de kleine narcose.
Alleen de kever 
gaat gebukt onder zijn schild. Maar ik ben dood, ik ben Erik,
dood in de Wollewei.


Michiel van Hunenstijn


Met dank aan Sam Gerrits, Menno Wigman en Spinvis

Een klein insectenboek

samen door het oog van de naald
opgelucht op adem
nemen afscheid
even later ontmoet ik jou.
bevlogenheid werkt aanstekelijk
kom op mijn rug, zeg je
vliegen de kamer rond
op zoek naar avonturen
strijken even neer
op het raam van de wereld
zien de sterren
gaan vrijheid tegemoet.

Dick Smeijers

Insektenintellekt

(over Godfried Bomans en zijn
onvolprezen Erik, dat zij samen mogen
verwijlen in het lieflijke landje „Wollewei“)

Een zandloopkever
uit het Haarlemse land,
dreef, met succes, de spot
met kennis en verstand,
op een onbewoond eiland gestrand
werd hij door eenzaamheid overmand.

Elk jaar opnieuw
een kwelling voor scholieren,
zo, meent men, krijgen zij een kijk
op het fabelachtige insektenrijk
en leren omgaan  met de
dubbelzinnige taal der satire,
die, bij onbegrip,
oorzaak van oorlog is,
als bij de mieren.
twee vliegen in een literaire klap.
Een antropomorfe grap?

Nele Holsheimer

Insectenboek

Ik zit weer in het buurtcafé,
mijn plek is in de hoek.
Vandaag wou kleine Erik mee
met zijn insectenboek.

Hij tuurt op elke pagina,
ik volg de kleine nerd
langs alle saaie trivia
totdat er iets gebeurt…

Een alledaagse zwarte mier,
een doodgewone mot,
ze wringen zich uit het papier,
bepalen zelf hun lot.

Dan loopt het klein insectenboek
al snel volledig leeg,
had Erik daar wel op gehoopt
toen hij het boekje kreeg?

De beestjes naasten eensgezind
de taart die voor ons staat,
ik zie het aan, maar aan het kind
denk ik helaas te laat.

Jan van Laar

De uitkomst

Mijn droom hangt aan een zijden draad.

Wind steekt op. Ik kan
er niet uit, ik heb te lang gewacht.

Ik sta er gekleurd op.
Vlinders fladderen in mijn richting:
de nachtpauwoog, de wapendrager, de doodshoofdvlinder.

Ik ben ongewapend, dat zien jullie toch!
Het lieveheersbeestje was al dood
toen ik het vond.

De bidsprinkhaan begint zijn requiem.

De valse kruisspin, die eigenlijk
niet mee mag doen, loert op mij.
Zijn web beweegt. Dit is
geen eerlijk proces!

Waar blijf ik als de draad knapt,
waar als hij het houdt?

Leen de Oude

Olbol

Wesp, sodemieter op!
Hinderlijk prikkend beest,
waarvoor haast iedereen
maakt dat hij rent.

Geef mij toch gauw een in-
sectenverdelgertje,
ondanks de raad van mi-
lieuconsulent.

Tinus Derks

2 limericks

In een gymzaal stonden twee torren
fervent aan een rekstok te sjorren.
“What’s in a name”,
sprak tor nummer één,
“We zijn nu gewoon twee rektorren”.

Een honderdtal andere torren
zat over die uitspraak te morren:
“Dat Engels van u
Klinkt echt veel te cru”.
En ze voelden zich slechts spectatorren.

Tinus Derks

Kindertijd

Ver is het, waar herinneringen wonen;
toen sneeuwden dromen langs het tuimelraam.
De witte beer droeg mijn familienaam
en lappenpoppen showden koningskronen.

Geen ding te groot, te klein voor mijn verhalen.
Het bleke laken werd de regenboog.
Als leerling-tovenaar en mytholoog
verbouwde ik mijn angst tot zonnestralen.

Niets liever was mij dan de besloten nacht,
waarin de stilte vriest aan de gewassen
en nergens honden aan hun ketens bassen.

Maar als hoge dromen waren uitgevlagd
kwam karig voedsel voor de bitt're dagen.
Wie niet eeuwig kind blijft, is te beklagen.

Alfred Bronswijk

Butterflies in the Dark

Verbonden door het licht

de nevel tussen de bomen
Voel ik een zwoele atmosfeer
soepeltjes langs mij stromen

Elk vormsel van materie
hoe rank of robuust dan ook
bevat een ver aspect van jou
onreikbaar als enige trouw

In welke ruimte zal het zijn
dat slechts klanken mij behoeden
wederom ruw rond te sjansen

of kent de tijd slechts coulance
voor iemand zonder doel

op wijde horizonten gericht

Maarten Douwe Bredero

Eric

Hoe is het gekomen
hoe is het ontstaan
hoe is het te dromen
hoe het is gegaan

soms is tweinig
soms is tveel
soms is de som
der delen meer
dan het geheel.

Wim van den Hoonaard

(‘SMS-gedicht’, precies 160 tekens)

Klein’nood

In alle overdaad
blijft een mens vaak graaien,
hij verslikt zich
in zijn borrelpraat,
wil buurmans grassen maaien

Een insect wil ook weleens
een aai over de rug,
maar de mens…
neukt de mieren,
en zift de mug.

Wim van den Hoonaard

Over het bouwen van een huis

Ooit bouwde ik een huis uit tulpenhout
verbeeld herinnering – droegen ze op
en aan dat alles kon

al werkende doemden gelukkig
grenzen aan veel mogelijkheden op
verlorenheid in of ik het wel zou kunnen
wendde zich af

er ontstond verbeelding van een werkelijkheid
die niet meer was maar werd
omtrekkende beweging van een verlaten tijd
opnieuw in bestek gezet

zo verrees een toren uit leven van weleer
Babels’ raster in de steigers
het mooiste beeld dat ik toen bouwde
en later aan de buurman gaf

Ingrid Beckering Vinckers       

Erik of het klein insectenboek

…..Is men het, vervolgde mevrouw, dan is men het ook,
maar is men het niet, dan is men het ook niet.
…..En wordt men het ook niet, voegde haar man er aan toe.
…..Als men het is, kan men ook gerust zijn
want men is het.
…..En blijft het ook, meende haar man.

Erik………..Eeeeerik!...................................Eeeeeeeeeerik!!!
Huh?
Ja, jij daar!
Zit je alweer te lezen?!
Leg dat stomme boek eens weg man.
Waarom speel je nooit eens buiten?
Kijk die andere jongens nu eens
leuk met elkaar bezig zijn.
Vorige week heb je ook al
een boek (of misschien wel twee) gelezen.
Dat kan toch zo niet doorgaan.
En, waar gaat dit boek
nu weer over?
………………..Insecten?
Heb je daar nu
een heel boek voor nodig?
Als je insecten wil bestrijden
haal je toch je informatie
bij de plaatselijke  Doe Het Zelf Zaak?
………………..Wat zeg je?
……Het gaat over een jongen?
(net zo’n tiep als jij)
en die wordt zelf
ook een soort insect?
Jezus Mina!
Het moet met jou
toch echt niet gekker worden!
Zet die onzin uit je hoofd
en ga je vader helpen
met een karweitje
in de tuin.
Dan kom je eens
een keertje buiten.
En doe je ook wat nuttigs
met je handen
of een stuk gereedschap.
Een echte kerel
ken niet zonder Gamma.
Kan niet zonder Gamma!
Dat zeg ik
Gamma!

Cees Leliveld

Ars botanica - 2

                 voor Erik Pinksterblom

De hazelworm heeft denkelijk ooit
na rijp beraad haar naam gekregen,
alleen, men zoekt bij haar vergeefs
naar oren of een pluizig staartje
zoals dat past bij hazen, nee
zij heeft haar naam veeleer
te danken aan haar bruine vel  
maar hoedt u, als u haar wilt aaien
dan snelt het dier er als een haas vandoor.

’s Nachts vlijt zij zich in volle lengte
over het maanverlichte hazenpad
en met de dieren die daar lopen
- gezegend met vier springerige poten en
niet als zij, de zogeheten worm, gebukt
onder een lijf met slangenvorm -
gaat zij dan haasje-over spelen      
waarbij zij immer weer de bok moet zijn  
zij doet dit echter zonder morren.

Leert bijgevolg de les van deze hazelworm:      
Schikt u conform uw ingeschapen aanleg,
uw eigen kunnen en omstandigheden en
toont u daarmee nederig volmaakt tevreden.          
                                                                   
Marianne Sorgedrager - Van Halewijn

Erik of het klein insectenboek

Het zal je maar gebeuren
dat een spreekbeurt je uit je slaap houdt
maakt dat je wilt vluchten
je doet beseffen hoe klein je je voelt
opdat je jezelf in een schilderij verstopt
alwaar je kennis-maakt
die je uiteindelijk een onvoldoende oplevert
en nablijven

het zal je maar gebeuren
dat je ineens ontwaakt.

Erica Rekers

Men is…

Of men nu jeugdig  is
of niet,
een angel heeft en spriet.
Of men nu honderd wordt
of niet,
(gezond of kierewiet).
Of men geluk heeft of verdriet,
of beide niet.
Of men om goud geeft
of pyriet,
in weelde leeft.
Of men nu Deens spreekt
of Ivriet,
het nest al jong verliet.
Of men een mens is
of juist niet,
op vleugelen zweeft.
Men is het of…
men is het niet.

Anna Wiersma

Zachttreurig

Ik zit op bed en zie mijn slof
Er zit een klein insectje op
Het is een zwart vliegje
En heeft transparante vleugels
Ik vraag mij af: waar ga je heen
Naar een wereld die ik niet ken
Zou het een afgevaardigde zijn
Vanuit de kosmos waar het leeft
Het vliegje heeft zeker een missie
Bij zijn rentree wacht er een Elfje op hem
Ik neem het liefdevol in mijn hand
Zonder angst of beven leunt het
Voor het grote wat hem omsluit
Vliegje wil vast naar buiten
De vrijheid invliegen
Het zit in de kelk van mijn hand
En loop naar het raam
Houd mijn handen hoog en fluister:
Lief vliegje, fladder maar terug
Jouw wereld is mooier dan de mijne
Dan draait het vliegje om en zegt:
Ik vlieg terug maar vergeet jou nooit weer
In gedachten loop ik terug en denk:
Ik heb een vliegje gered
Vliegje en familie zijn vast blij
Zij omarmen elkaar met vreugde
Het weerzien is altijd twijfelachtig
Als een vliegje een missie heeft

© Violet Asseruit Mane

Bar

(bij een schilderij van Hemmechien Knip)

Tussen de flessen zoemt
gedistingeerd
en steek voor steek de mug
die onverveerd
godganse klandizie
gedistilleerd
bloed afneemt, al of niet
gereformeerd,

en dan,
geanimeerd,
andere wang
toekeert.

Pieter Bas Kempe

Ik zal je dromen

Hoe wij spraken
tot het licht wegkroop
en onze wimpers elkaar raakten
buiten loerde de jongste dag
zoals de leeuw op de gazelle wacht.

De bleke klei van de rivier
moet straks tot huis gebouwd,
het amandelbomenhout
tot schrijftafel en papier
want dromen zal ik je.

Aan de zomen van de nacht en
ooit zullen mijn gedachten
zich oprichten in gedichten
tot liefde die al met al
slechts haar wezen wegen zal.

Dick van Welzen

donderdag 31 oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013 - Onderwerp:
Vorst en Volk (thema van de maand van de geschiedenis)

Inleiding bij de 31ste bijeenkomst van het Deventer Dichterscafé door Jos Paardekooper:

Helmers, ‘De Hollandsche Natie’
Over een maand is het zover: dan herdenken we het heuglijke feit dat eind november 1813 de zoon van onze naar Engeland uitgeweken laatste stadhouder, Willem V, aanspoelde op het Scheveningse strand, om eerst als soeverein vorst, uiteindelijk, nee, niet als stadhouder Willem VI, maar als koning Willem I ons land te gaan regeren – waarmee hij de Republiek der Verenigde Nederlanden zomaar tot een koninkrijk promoveerde, of degradeerde. In ieder geval nog lang geen democratie, want tussen vorst en volk stonden op dat moment nog een grondwet en talrijke praktische en andere bezwaren.
Ook los van dat feit stond de nog prille negentiende eeuw bol van nationalisme en vaderlandsliefde: met de komst van Willem I viel de bevrijding van ons land van het Franse juk samen, en groeide na de val van Napoleon en het Wener Congres (1815) alom in Europa het besef dat burgers leefden in en deel uitmaakten van een land, beter nog: van een natie. De tijd van de natiestaten was aangebroken. En die burger werd geacht trots te zijn op zijn land, en dat ook in zijn eigen volkstaal te bezingen; ‘de taal is gans het volk’, immers.

Als geen ander is dat ten onzent gedaan door Jan Frederik Helmers, die overigens dat aanspoelen van zijn eerste koning niet meer heeft mogen meemaken. Hij stierf, amper 45 jaar oud, op 26 februari 1813, slechts een paar maanden na het verschijnen van het werk dat hier kort zal worden besproken, De Hollandsche Natie. Bij zijn tijdgenoten was hij, mede door deze zwanenzang, ongelooflijk populair: van het gedicht verschenen tientallen drukken in vele duizenden exemplaren, en binnen vijf jaar was het al integraal vertaald in het Frans, Engels, Duits en zelfs Maleis.
Ons oordeel over die jubelzang op ons nationale verleden is sterk gekleurd door wat dichters en critici vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw hebben geoordeeld. Dat begon al in de jaren dertig van die eeuw, in kritieken in het toen al roemruchte tijdschrift De Gids, door de scherpe pennen van Conrad Busken Huet en Potgieter, en dat is sindsdien zo gebleven, tot in onze eigentijdse schoolboeken, zoals hier in de befaamde Literatuurgeschiedenis van H.J.M.F. Lodewick, waarmee in ieder geval de roomse jeugd na de Tweede Wereldoorlog is opgegroeid:

‘De Hollandsche Natie [geeft] hem meer recht […] op onze bewondering voor zijn moed dan op onze waardering voor zijn talent. Het gedicht is door zijn chauvinisme, retoriek en bombast lichtelijk lachwekkend, maar er was moed voor nodig om dit gedicht in die tijd onder de neus der Fransen uit te geven: het bevel tot arrestatie kwam juist één dag na ’s dichters dood.’
(o.c., deel I, 11de dr., 1963, p. 259)

Wat chauvinisme, retoriek en bombast precies waren, dat wist ik toen als jonge middelbare scholier nog niet, maar die dood terwijl de politie aan je deur staat te rammelen, dat sprak ons erg aan. Helmers’ eigentijdse couranten formuleerden het omfloerst: ‘Hij werd weggerukt uit dit aardse tranendal, nadat hij zijn arbeid ten dienste van zijn vaderland had voltooid; het zaad was in de aarde gestrooid.’

Intussen vertoont onze eigen tijd interessante gelijkenissen met die van twee eeuwen geleden; ook nu een hang naar het verleden, afgetopt met een iets minder grootsprakig sausje van nationale trots. (Tenzij het overwinningen op sportgebied betreft: dan gaan alle remmen los.) Wij zouden onze nationale identiteit, of onze liefde voor het vaderland (die volgens de negentiende-eeuwer ‘een ieder is aangeboren’) niet zo gauw meer aldus verwoorden:

ô Grond! waarop, in blijde dagen,
Een moeder me onder ’t hart gedragen,
Mijn wieg, en rinkelstoel met bloemen heeft bestrooid!

ô Grond! waarop in reine weelde,
Ik aan haar’ dierbren boezem speelde,
ô Aangeboren grond! neen, ik vergeet u nooit!

Maar in haar voortreffelijke uitgave van het gedicht dat met deze regels begint, benadrukt Lotte Jensen, hoogleraar negentiende-eeuwse letterkunde te Nijmegen, de kwaliteiten die het, ondanks alle bombast die er inderdaad aan kleeft, toch ook de moeite waard is, en niet alleen omdat de auteur er zowat vijftien jaar aan gewerkt en geschaafd heeft:

Het is ook een zorgvuldig geconstrueerd, erudiet en gestileerd geheel. De tekst is bovendien representatief voor een periode waarin vaderlandsliefde het kloppende hart van de literatuur vormde.’
(J.F. Helmers, De Hollandsche natie, ed. Lotte Jensen, Vantilt, Nijmegen, 2009, p. 10)

Voor deze bijeenkomst en dit gezelschap is Helmers’ gedicht naar ik meen vooral om de volgende twee redenen interessant.
Ten eerste benadrukt Helmers in de ‘Voorrede’, die aan het gedicht voorafgaat, dat de tekst nadrukkelijk bedoeld is om gereciteerd, voorgedragen te worden, en niet in stilte en in de eenzaamheid van huis- of studeerkamer gelezen. Hij vertolkt daarmee een algemene mening van de negentiende eeuw: poëzie is, net als muziek, expliciet bedoeld om te horen, niet, in ieder geval niet allereerst om te lezen.Niet voor niets bestaat zijn gedicht uit zes zangen. Dat lijkt me voor een gezelschap als het onze, waar de leesbaarheid versus de hoorbaarheid van onze eigen gedichten geregeld ter discussie staat, en waar we zo graag de tekst van het voorgedragene vóór ons willen hebben, een interessante opmerking.
Ten tweede lezen we in diezelfde ‘Voorrede’ aangaande de stof, het onderwerp,  van onze poëzie dat grote, diepgaande onderwerpen zich daar niet voor lenen, maar dat we het juist over de kleinere dingen moeten hebben. Letterlijk schrijft Helmers:

Er is geen onderwerp, hoe arm, hoe klein, hoe nietig ook in zichzelve, dat voor den dichter niet rijk, groot, belangrijk zijn kan, wanneer hij waarlijk dichter is. Zijn gevoel, zijn gloeijende verbeelding, zet zijn geheele ziel in vlam, en hij weet het gevoel, dat hem bezielt, in het hart zijner lezers en hoorders uit te storten. ’t Is daar, waar zijn onderwerp bijna geen stof aanbiedt, dat zijn scheppend vermogen zich ontwikkelt: dan is het, dat hij waarlijk dichter, dat is: schepper zijn kan.’

En het is ook daarom dat hij zelf aangeeft zijn gedicht ‘met schroom’ aan zijn lezers ‘ter hand te stellen’. Het onderwerp immers is eigenlijk te groot. Ook dit standpunt, deze opinie, lijkt me voor ons gezelschap van belang, en wellicht voor sommigen van ons, die zouden schromen bij wijze van spreken over zoiets alledaags als ‘jonge sla’ of een ‘Singer naaimasjien’ te dichten, een steun in de rug. Al hoeven we de poëzie-opvattingen van Helmers natuurlijk niet te delen.

Nogmaals: ons oordeel over Helmers’ dichterlijke voortbrengselen is ernstig ingekleurd door het tamelijk vernietigende oordeel van latere geslachten. Wie aldus begint (het zijn de aanvangsregels van het eigenlijke gedicht):

Barst los, bezielt u, heilge snaren!
De lofzang ruisch’ deez’ bosschen rond:
’t Gevoel stroome uit uw hart, gewijde priestrenscharen!
Heft aan, ô Wodans harpenaren!
’t Geldt de eer van d’ouderlijken grond. –

… kortom, wie zo kwistig rondstrooit met ‘heilge gronden’ en uitroeptekens, die kan reacties, zelfs van kunstbroeders, verwachten als deze:

Wij allen weten dat Jan Helmers’ groote Natie
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie.
(Peter A. de Génestet, 1849)

Of deze:
Laat niemand u verdenken
Als of gy aan ’t feit zoudt twijflen
Dat, sints  zijn bestaan, ons Neêrland
Een aparten Lieven Heer heeft,
Dat aan ons in elken zeeslag
De overwinning is verbleven,
Dat zich Helmers nimmer schuldig
Heeft gemaakt aan overdrijving […], etc.
(Jacob van Lennep, 1854)

De doodssteek, voor zover nog nodig, deelde de gevreesde literatuurcriticus Menno ter Braak uit, in de dertiger jaren van de twintigste eeuw, met de volgende definitie:

‘Helmersesthetiek – dat is de verzamelnaam voor alle Nederduitsche, Opperpommersche en Boven-Moerdijksche agrariërs-bombast.’

Het zij zo. Maar toch; als Helmers zijn zangen, na een kleine 3500 dichtregels, besluit met de volgende woorden:

En Gij mijn Landgenoot! ô zoo ik ’t lot mogt danken,
Dat ik één harte slechts bezield heb door mijn klanken,
Eén ziel ontgloeid heb tot der vaadren moed en kracht,
ô Dan is niet vergeefs mijn zang U toegebragt.

dan mag hij, wat mij betreft, op dit moment voor even weer een klein beetje tevreden zijn: het is niet helemaal vergeefs geweest, want ‘het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’


De gedichtenronde wordt voorgezeten door Jan van Laar

Gedichten van deze bijeenkomst:
Kloos reading door Leen de Oude
(passend bij het thema van het Deventer Dichterscafé: "en dorst is alles wat men overhoudt").

Ik zoek een koning door Dick Smeijers
Mijn vorstin door Herman Posthumus Meyjes
Vorst en Volk door Ingrid Beckering Vinckers
Vorst en Volk door Michiel van Hunenstijn
Haan door Jan van Laar
Vorst aan de grond! door Cees Leliveld
In naam van God en vaderland door Neletta van Heuven
Clash Control door Maarten Douwe Bredero
Vorst door Greet Dijkhuis
Standbeelden door Tinus Derks
Een ruige vorst door Nele Holsheimer
Vorst en Volk door Sieth Delhaas
Van man en macht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Vorst en Volk door José Hattink-Blom
Klaaglied voor een koning door Wim van den Hoonaard
Vorst en Volk door Violet Asseruit Mane
Zo kuis als ijzer door Dick van Welzen (niet voorgedragen)
De condor door Pieter Bas Kempe
Zo'n opgave door Klaas Wijnsma

Kloos reading

Gij weent om bloemen in de knop gebroken
en doet door tranenvloed uw glas beslaan.
Uw eigen schuld dat zij niet zijn ontloken:
Ge had geen water in de vaas gedaan.

Ge zit daar zielig in uw smart gedoken
van alle kleur en geur geheel ontdaan.
Laat mij u dan met goede raad bestoken:
Ook uw glas staat droog, doe er dus iets aan.

’t Zou jammer zijn als ge van dorst versmacht
alleen omdat voor u geen bloempje bloeit.
Neem toch een droogboeket! Wat maakt het uit?

Zorg voordat gij uw moede ogen sluit
dat hier de ed’le wijn weer rijkelijk vloeit.
Maar g’ hebt geen kurkentrekker meegebracht!

Leen de Oude

Ik zoek een koning

Ik zoek een koning
Die op handen wordt gedragen
Een vorst zo echt gewenst
Dat hij voor altijd wordt herkozen
                                     
Ik zoek een koning
Die geen zetel heeft
Maar een gewone stoel
Een mens om aan te raken
Ik zoek een koning
Die voor jou en mij
(Als wij bijeen zijn)
Onze liefde wil bekronen.
Ik zoek een koning
Voor jou en mij
Die als het er op aankomt
Ons zal dragen.

Dick Smeijers

Mijn Vorstin

Haarlem, mei 1945

Zij was een half-track, een DUKW, een jeep,
een twee-en-een-halve tonner, een Bren-carrier,
een APC, een Shermantank, een mijnenopruimer
met wild rondzwaaiende armen,
een machtig stuk mobiele artillerie,
en ik voelde het grijsgroene staal
dat mij onoverwinnelijk voorkwam, en het ook was,
en op die gepantserde rug reed ik
naar Lisse en Hillegom en andere onbekende oorden.
Even onoverwinnelijk was zij zelf, enkele dagen later,
die wuifde met kleine spiegelbeeldige gebaren,
waarbij zij voortdurend knikte en glimlachte --
alsof wij aanmoediging van node hadden.
'Geen van de ongeborenen …..', maar op dat ogenblik
was ik wel zeer geboren, meer geboren
dan op enig ander punt in mijn leven.
En nooit was ik trouwer vazal,
want mijn vorst had overwonnen.

Herman Posthumus Meyjes

Vorst en volk

Ooooooo vorst - het is niet voor het eerst dat
u regeert met straffe hand, naar ik vermoed –
ook niet voor het laatst
Uw snijdende koude noopt tot een
belachelijk vroege aanvang dezer dagen
Met toenemend gevoelloze handen zet ik mij af tegen
nachtelijk gevormde grildril op mijn ramen

Hoe zichtbaar is nu iedere ademteug en dat niet alleen
Een heel volk vertraagt in beweging is
wachtend op lossende wolken in en om de koets

Als vanzelf is daar dan weer die koorts
die ons warm en smeltend van verlangen naar de ijzers grijpen doet
Vanaf de bodem bezien ontvouwt zich hoog een gravure die
de onderkant van het gepeupel naarstig in uw gestolde stromen kerft
Geluidloos gaat dit niet - pijnloos evenmin
Maar waar anders spiegelen vorst en volk
dan na het horen van: It giet oan, it giet oan

Ingrid Beckering Vinckers

Vorst en Volk

Vorst en koets
vorst en feest
vorst en geld
vorst en vrouw

vorst en vet
vorst en worst
vorst en pils
vorst en dom

vorst en troon
vorst en galg
vorst en rad
vorst en graf

Michiel van Hunenstijn

Haan

Dominante leider, onbetwiste verleider van wel twintig
kippenmeiden, snoer de bekken van die bende hennen,

die met kalm gekakel, vrouwelijk gewauwel en
drammerig gedrens de stille dag verstoren. Laat dit

alles niet ontaarden in dramatische uithalen: iedereen
weet allang waar de eieren vandaan komen. En jij

haan, kraai met mate en blijf waakzaam. Wees een
vorst, maar vrees de vos!

Jan van Laar

Vorst aan de grond!

Zo luidt de onheilszwangre tijding
die ons via coole glazen vezels
en achterlijke, ouderwetse ethergolven
this very evening heeft bereikt.
Holy cow!
Het zal onze Willem toch niet wezen?
W.A. van Buren, gelauwerde
IJsheld van de Friese Elf Steden?
Als evenwel een schip de grond kan raken
of een vliegtuig, in een crash
waarom dan een monarch niet?
Onze Willem Alexander aan de grond!
En nog maar net begonnen,
de slingers ook net weg.
Een hoogvlieger zou hij niet zijn,
zo luiden de verhalen.
Maar wel in snelle vlucht
zijn gouden wings behaald,
fraai afgetekend
op het onderliggend donkerblauw.
Hij zal toch niet…….
het tragisch beeld van Icarus
wil voor ons oog niet wijken!
De onheilstijding zal grondig
moeten worden nagelopen.
Het volk spoedt zich nu al
in opperste verwarring
naar het Paleis Noordeinde,
om daar verhaal te halen.
Willempie, hoor je overal!
Willempie, ’t is een raar geval!

Ach, was Andre nu maar hier,
Van Duin bedoel ik.
Om dit lied uit volle borst
ons krachtig voor te zingen!
Maar, wie zien wij daar nu,
als opgedoken uit het niets
in scherp gesneden koningsdracht
op het balkon verschijnen?
Met de licht gebruinde, blond gelokte,
fraai gevormde Maxima?
‘t Is Willem-Alexander,
zo waar als ik hier sta!
Des volks noodkreet kwam tot hem,
zijn oor was niet des dovemans!
Hier ben ik mensen!
roept hij unverfroren
tot het huiverende volk.
’t wordt wel wat fris vannacht
maar daar ken je je op kleden.
laag bij de gronds zijn wij toch niet?
Dus als u het niet erg vindt
ga ik de zaak hier sluiten.
Ik wil ook wel eens naar bed
en wel met uw vorstin.
Kom nog eens langs,
’t was hartstikke gezellig!
De armzwaai, de gulle lach
Ten afscheid.
Dank oe wel, fluistert nog
de licht ontroerde Maxima.
Een traan blinkt in haar oog.

Cees Leliveld

In naam van God en Vaderland

Warmbloedige slavin
Een vorst pikt haar in
Overdag voor gemalin
's Nachts ... zijn min
Zo promoveren vorst en vorstin
Een warmbloedige slavin
Tegen haar ziel en zin
Tot dooie ijskoningin

Neletta van Heuven

Clash Control

Met dit krassen
van het glas op
de thans bezwete huid
raakt mijn zware kogel
jouw onbevangen kruis

zodat
voor even vaandels
eeuwig lijken

Laat ons krabben
harde nagels
deze donkere dos
en voor altijd schermen
als een heilige god

zodat
uw steken kronen
nooit bereiken

Maarten Douwe Bredero

Vorst

regeert met harde hand
brengt mensenmassa’s op de been:
bibberende onderdanen
klappertandend volk

brengt oevers dichter bij elkaar
schept watervlug verdraagzaamheid
smeedt dorpen in een nacht aaneen
schrijft onverbloemd op ramen

beheert landouwen wit berijpt
dicht sloot en beek hermetisch af
edoch, zijn heerschappij is erg beperkt
die eindigt als ’t gaat dooien

Greet Dijkhuis

Standbeelden

Alexander de Grote, Carolus Magnus,
William the Conqueror, Jean sans Peur,
Il Magnifico, Alfonso o Conquistador,
Le bon Roi Henri, ook wel Le vert Galant,
Louis le Grand, ook wel le Roi Soleil,
Friedrich der Grosse, ook wel der Alte Fritz.

Der Keerlen God, Willem de Zwijger,
Stedendwinger,  Koning Koopman,
Koning Gorilla, Prins Pils.
Het Dankbare Volk

Een ruige vorst

In het rijk der elf steden
is het volk tevreden, wanneer
een strenge vorst regeert.

Doch
mocht de vorst een vorstje zijn,
heel licht en wit bevroren,
het ijs te dun, een korstje slechts,
waarop een ruige vorst
een scheve schaats gaat rijden,

breekt koorts uit in het hele land,
regering  roept een crisis uit,
er wordt vergaderd en gemeten,
de nok van 't dak vergeten,
niets gerepareerd,

de strenge vorst,
in engelenkoor
aanbeden en vereerd.

Nele Holsheimer

Vorst en volk

Vorst en volk uit de maat
Één, twee, drie, juffrouw kwaad
Ruim één eeuw vorstinnen
Macht geen thema
Vorst en volk is voorbij
Hermelijn aan de kapstok
Demos nu aan de slag
Burger en boer

Sieth Delhaas

Van man en macht

Il maintiendrait

Alleen de vorst die sterk
als een vorstin, volhardend
vriendelijk en dienstbaar  
kan handelen en zijn

alleen zo’n moedig vorst
is waard om te regeren          
want hij bestaat dank zij
het volk, dat daarentegen -                      

Waarlijk, hij zal zijn volk
op die manier tot zegen zijn
en dan, blijkt hij alsnog
toch ‘een beetje’ wijs

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Vorst en volk

ijzige stilte
de vorst bevriest
z’n onderdanen      

ze zitten ver weg
daar beneden
geheel ontevreden

de zon schrijd, schoorvoetend
naar de onderdanen
en ontdooit ze

zet ze op een rijtje
het lijkt een eitje
de afstand is te groot

de onderdanen schokken
komen…. niet in beweging
een stap te ver

José Hattink-Blom

Klaaglied voor een koning

(ode aan de nar)

In een vastgeroeste kooi zit hij, de koning,
Met zijn geboorterecht op macht,
Door veel pracht en praal verzacht,
Wie mag honen zo’n vertoning?

Ivoren torens beschermen zijn troon,
Elk is voor hèm in dit koningsspel,
Waar zijn tred als een stropdas knelt
Hunkert hij heim’lijk naar spot en hoon

Wie verlost de koning uit zijn kooi,
Voor wie mag de loper soms uitgegooid,
Waar is de nar in het schaakspel gebleven?

Ik zag er met een aap ooit vier,
In plaats van torens, zoals nu hier,
Dáár is de nar in het schaakspel gebleven!

Wim van den Hoonaard

Naschrift:
In het Rijksmuseum (collectie Middeleeuwen) is een schaakspel met narren (met apen op hun rug/schouder) i.p.v. torens. Voordat ik het tegenkwam, had ik al het idee om iets te schrijven over een nar in een schaakspel.
(vergelijk ook: het Narrenfeest: een korte periode in het jaar waarin de narren de ‘feodale heersers’ mochten vermaken door ‘alles te mogen zeggen’, met veel spot en hoon; en humor denk ik).  
        
Mijn naam schijnt afgeleid te zijn van Hogenwaard/Hoenwaard -hoge uiterwaard-; heeft dus niets met ‘honen’ te maken.. 

Vorst en Volk

Monarchen, belhamels zie ze schallen
Voortdurend laten zij de flessen knallen
Plop zegt de kurk en die schiet ergens heen
Gierend gaan zij op weg en zien ‘zij’ iedereen

Knikkend, buigend gaan ‘zij’ door met deze façade
In de hoop erbij te horen maar worden ingevroren
Omdat Vorst en volk nooit verwanten zijn geweest
Tis net een vrieskou en men ziet blauw van de kou
De mens is nog ‘altijd’ hoogdravend bezig om deze troon
tot de hemel te laten groeien met hun handen in de boeien

De meerderheid kan hier niet tegen omdat ieder ‘t zelfde is
We zijn mensen van vlees en bloed met of zonder ‘blauw’
De blauwe mens voelt zich verheven boven jou
Maar laat ons bijna eeuwig staan in zijn of haar vrieskou

De vrieskou waait over ons heen en de vorst sabbelt op zijn fopsteen

© Violet Asseruit Mane

Zo kuis als ijzer

Nog ligt het veld waterloos, geen strenge vorst verwacht
doch een keizer, ‘zo kuis als ijzer’, zegt
Goethe over hem, hij die zich in Leipzig dorst te wagen,
de stad torst de herfstdracht van haar lindebomen
dan breekt bruut de reeds verwonde ring van beleg
die om de ongelukkige was geslagen, in verwondering
ziet het volk de vijand door de poorten komen.

Stormenderhand nemen ze de bruggen
alsmee de vrouwen, zonder woorden
van enig kritisch verstand de hoge heren
van deze rijken, de Pruis in z’n element
de Zweed uit het rijk van het koude noorden
uit de oost de Wener en ook de wilde beren
van de Berezina melden zich present.

Op de lange mars gingen zij allen
naar de volkerenslag, de slacht
twee volle eeuwen terug, vallen
zullen ze met meer dan honderdduizend
om op vreemde bodem te creperen
zij staan niet meer in hun kracht
zou nu wellicht de taalgeilaard oreren.

In dit uur zonder mededogen, geen steek
voor ogen, slechts hoop op een van genade
water en vuur regenen gelijk een bombardement
le grande armée verslagen, ouwe lullen en jongeheren
geronseld uit menig Hollandsch departement
werden van de kaart geveegd en ik warm me
aan het vuur van mijn open haard.

De legers vanuit het noorden dreigen
de heilige vrijheid en ten leste een ieder
uit te moorden, anderen kunnen hier de tering krijgen
of de kolere, vlucht uit deze veste over de rivier
maar de brug wordt te vroeg opgeblazen
ontelbare doden – ondoenlijk om ze te verzorgen
zelfs voor de goden om ze te begraven.

Zo doemt op uit de mist een nieuw Europa
ik volg vandaag de slag na tweehonderd jaar
op de verziener in mijn tweede huis en land
op veilige schootsafstand van daar, in die lindenstad
studeerde kuis als ijzer keizerin Angela
ik dagdroom van al haar impotente drones
en ‘de kleine Guillaume’, haar verkrachte Nokia.

© Dick van Welzen

De condor

Vertaling van het gedicht: El cóndor van Pablo Neruda
Ik ben de condor, zwevend
hoog boven jij die wandelt,
en weldra, in een wirwar
van wind, gekras en veren,
stort ik mij op jou, hef jou
omhoog in schril gewervel
van ijzingwekkend stormtij.

Mijn verre sneeuwen toren,
mijn diepe zwarte schuilplaats
is waar ik jou breng:   eenzaam
leef jij, krijgt langzaam veren,
zweeft ver boven de wereld
en zonder te verroeren.
Wij, condorwijfje, storten
ons op de prooi en sleuren
daaruit het rode leven,
met hartslag en al: zweven
dan zij aan zij de lucht in,
op nieuwe wilde wegen.

Pieter Bas Kempe

Zo'n opgave

Vertaling van het gedicht: En Tal Tarea van Santiago Montobbio  

Niemand weet van de stille last van het duister
of er is altijd iemand die nog meer lijdt, die met alle pijn
in stilstaand water niet weet welke gevallen god
of herinnering het lukken zal
de kille, scherpe lach van de nacht te verdrijven.
En niemand weet van de nare last van het najaar
of van het duister, het dichte omhullende niets niemand weet
wie altijd meer lijdt, wie door pijn
wordt overvallen en nooit weet
waar het vandaan kwam noch hoe
het zich zo diep in hem nestelen kon, en maar blijft hangen,
halsstarrig, pijn of duivel met duizend gezichten,
die iedere stap tot modder maakt,
vretende pijn van uit te bannen dolken
die maakt dat het duister in je duisterder wordt
dat je namen afsluit en ramen
in de nutteloze opeenvolging der dagen
weet niemand het, vertelt niemand
hoe je eraan ontkomt of hoe je het omzeilt.

Klaas Wijnsma

donderdag 26 september 2013

Dichterscafé september 2013

Dichterscafé september 2013 - Onderwerp:
Macht en pracht

Deze maand is het thema Macht en Pracht, zoals bij de Open Monumentendag eerder deze maand.

                                                   

Het Dichterscafé van dinsdag 24 september heeft een nieuwe plek: Paviljoen Vogeleiland, dat onder de bezielende leiding 
staat van Bep Spa. Zo'n 35 mensen begeven zich in  'hogere sferen', tussen al het 'gebladerte'... ja zelfs van die witte, waarvan helaas te weinig geprint. Dus dicht bij elkaar gaan zitten en meekijken. En anders, zoals te doen gebruikelijk bij het voordragen van gedichten, gewoon luisteren!


Gedichten van deze bijeenkomst
Macht en Pracht door Erica Rekers
Macht en Praal door Cees Leliveld
Macht en praal door Michiel van Hunenstijn
Macht en Pracht (1 en 2) door Dick Smeijers
Parabel van pracht en praal door Nele Holsheimer
Macht en pracht door Sieth Delhaas (niet voorgedragen)
Duurzaamheid door Leen de Oude (niet voorgedragen)
Opperbestuur door Violet Asseruit Mane
Ballade kleine Noordijk door Neletta van Heuven
Aïscha door Tinus Derks
Mijmeringen door Jan van Laar
Copy Cat door Maarten Douwe Bredero
Sms-gedicht door Wim van den Hoonaard
Uitverkoren door Wim van den Hoonaard
Daventria Felix door Herman Posthumus Meyjes

Macht & Pracht

In de Pracht van Macht
als in het oog van een orkaan
ligt de Kracht waarmee Macht
zichzelf omringt in haar bestaan.

Erica Rekers

Macht & Praal

Macht is in dit land
een beetje een vies woord.
Nou…..een beeeetje vies?
zeg maar gerust obsceen!
Die goeie, ouwe, zwaar besnorde Nietsche
heeft zijn mooie, dikke boek
niet voor ons geschreven:
Der Wille zur Macht.
Daarvan willen wij niet horen,
dat schrikt ons af,
want niemand is hier machtig.
Men mompelt vroom iets over invloed,
goede gesprekken achter de coulissen.
Maar praal? Praal me daar niet van!
Bij ons zit praal alleen maar in pralines
(en dan ook nog van die Belgische….),
als praalhans sta je d’r niet best op!
Toch zijn er hier nog wel wat machten,
zoals de luchtmacht en de landmacht…
Maar die mogen ook niet pralen
met hun nieuwe wapentuig.
Nou, de zeemacht dan?
die noemen we Marine,
Koninklijk nog wel!
Net als te land en in de lucht.
Maar daar wordt ook het ene
na het andere schip verpatst!
Ja beste mensen, er valt
niet veel te pralen in NL.
Maar, pruilen doen we ook niet,
al wordt het ons soms te machtig.
Vroeger had je nog het Socialistisch Strijdlied:
Aan U, o Volk, de zegepraal!
Moge dit gedicht u aan het denken zetten:
praal onbekommerd met uw dichtkunst.
Want….gansch het raderwerk valt stil,
Als uw machtige pen het wil!

Cees Leliveld

Macht en praal

Is het de macht van de nacht,
dat hij de hele wereld, nou ja, de halve eigenlijk,
op zwart zetten kan? En is dat zijn praal,
dat oneindige sterrengeblink?

Is het de rivier, die machtige stroom,
die alles op zijn weg opstuwt en wast?
Drenkelingen wiegt, en op weg naar het nieuws huizen verwoest,
en die op zondag een spiegel voor de zwanen is?

Is het de vrouw, haar heupengedraai,
het borstengepronk, de buik- en billenpracht.
Dat ze zwaait met d'r haar, blikt met haar ogen.
De lipjes netjes gevouwen, geheimpje, niemand zeggen.

Is het de macht van de metastase,
die dappere eigenwijze cel, die naar
verboden plaatsen gaat. Is het de praal
van die dansende delende cel?

Is het de macht van het doek
die de mensen in de rij laat staan.
De magistrale toets, de fraaie streek,
de mystieke ervaring, tot tranen geroerd?

Is het de macht van de dood, de lange stoet
is het de praal van de bloemen op het graf
de ziel van de vlinder naast de Bob de Bouwerballon?
Zijn het de wormen, is het de macht van de lokkende eeuwigheid?

Michiel van Hunenstijn

Macht en Pracht (1 en 2)

De macht en pracht van een...

druppel

Parel in de golven
Versmolten tot regen
Hoe lang les je nog mijn dorst?
Oog van volmaaktheid
schitterend  op een lenteblad
Een holle steen vertelt me
Heel zachtjes jouw geschiedenis
Luister naar de druppel
spreek met oceanen
Wat er is in overvloed
hardheid wordt verzacht
Als druppels hun gang
maar kunnen gaan.

_____________________________

Macht en pracht

Rollen vertrouwd
Huid van een ander
Onbekend niemandsland
Onbegrepen signalen
Draaien en keren
Machtig onmachtig
...
Staan in de kilte
Kou die niet keren wil
Waarom was jij er niet?

Dick Smeijers

Parabel van pracht en praal

De kunstenaar en de koning,

Een blauw steentje hier, een blauw veertje daar,
de satijnkleurige prieelvogel versiert zijn prieel
om vrouwtjes te versieren, hij schikt en
herschikt en een blauwe bes wordt ververst,
soms ook een klein dingetje geel, niet te veel,
zo lokt hij een vrouwtje in zijn versierd kasteel,
zij laat hem daarna alleen met zijn kunst,
en bouwt voor de rest zich een eigen nest.

De koning werd uitzinnig van begeerte
bij het zien van de blauwe steen, de kleur
bedwelmde hem, hij rook eraan, geen geur,
geen smaak, toen hij zijn tong het
glanzend blauw liet strelen:
„Bezet het land, waar zulk gesteente
wordt gevonden en maak het volk tot slaven!“
Toen alle stenen waren uitgehakt,
de poort voor duizend jaren was gebouwd,
lag heel het slavenvolk doodstil in graven.

Mensenkinderen, neemt in acht:
Macht en Pracht zijn sterk verdacht !

Nele Holsheimer

Macht en pracht

Macht en pracht paren saam
Eeuwen geleden al
Huizen hoog in het groen
Nooit iets te kort

Showbizz op stand  gezien
Monument-én-dagen
Volk loopt te hoop en hoe
Het heurt weet Jord

Sieth Delhaas

Duurzaamheid

Alvise Pisani,
de 114e doge van Venetië,
liet 30 kilometer ten westen van de stad
een paleis bouwen
met 114 kamers:
Klein Versailles.
Giambattista Tiepolo
decoreerde de balzaal met fresco’s.

Enkele decennia later
kwamen de Fransen.
Zij stuurden de laatste doge
de laan uit.
Einde van een duizendjarig rijk.
Villa Pisani bleef
en werd gekocht door
Napoleon.
Napoleon ging
en Villa Pisani bleef.

In 1934 ontving
een nieuwe doge,
ook wel duce genoemd,
er Adolf Hitler.
Dat was iemand met plannen
voor een nieuw duizendjarig rijk.
Maar ook hij
had de wind niet mee.
Zijn compaan evenmin.

Villa Pisani bleef,
is nu Nationaal Museum.

Leen de Oude

Opperbestuur

Heerschappij is een dodelijke macht,
een machtsgevecht tegenspreken,
het komt ieder duur te staan,
en ontneemt je de pracht, omdat er -
mensen willen overheersen en regeren.

Weet het komt niet door bloemen of dieren,
zij hebben geen weet van deze kracht,
het is de mens die zich laat verloederen,
en men misbruikt deze macht.

Geloven in pracht is ieder eeuwig gegund,
zie het leven en zijn doorstane golven.
De Glans zoeken, getuigt van eeuwige moed,
met bezieling krijgt men altoos weer gloed.

Ons heelal wil iedereen behoeden, tegen die,
die zich hoger waant met de hoogste macht,
De Alkracht.

© Violet Asseruit Mane

Ballade Kleine Noordijk

Een meisje in de bloei van puberteit
Hoe diep verstopt al haar verlangen
Ternauwernood ontvlucht de kindertijd
Pop wordt slinks door prins vervangen
Ze droomt haar hartstocht dag en nacht
In een landhuis, vol praal en pracht
Dat heeft ze uit kasteelromans gehaald.

Hoe moet een kind van echte liefde weten
Als haar jeugd verscheurd wordt door het tegendeel
De blik van moeder die haar grieft als tekenbeten
En altijd het gevoel, ook als zij stil is, toch te veel
Zo niet met vader, huisarts, in zijn Volvo door de Voorster dreven
Dan vliegt soms onverwacht een vleugje liefde langs, voor even
Hij schampt haar wang en houdt een pepermuntje voor, zo een van King.

Hij herschikt zijn haren in de spiegel, trekt jasje recht, bezoekt de boerderij
Dan als bij toverslag blijkt in een brede bocht het droomhuis te bestaan
In machtig praal en pracht, verscholen in het lover maar van bomen vrij
De ramen met gordijnen als geloken ogen kijken haar verlokkend aan
Voortaan worden al haar prinsendromen op dit huis geijkt
Ze hoefde niet te weten hoe het heette, dit Kleine Noordijk
Het werd haar toevluchtsoord, weg uit de alledaagse knel.

Zondagochtend in de sponde spint zij haar geheime dromen
In de balzaal maken prinsen haar het hof met zang en dans
Stoere jongens van de HBS, maar het mooiste moet nog komen
De laatste dans is … telkens weer … voor haar aanbeden leraar Frans
Een storm van prille feromonen fulmineren in een zinderende zoen
Puur geestelijk genot, de beloften van haar lijfje lagen nog verborgen, toen
Dan breekt moeder in, trekt ruw gordijnen los, van de hemel in de hel

Vele jaren later, illusies armer, naar prinsen nu wantrouwend
Zoekt zij de liefde enkel nog gesublimeerd: in schilderkunst en literatuur
En in muziek, ook dat kan je verwarmen en is daarbij opbouwend
Je kunt de dosis zelf bepalen, maar bevrediging is slechts van korte duur
Zo valt haar oog op Lenny Kuhr bij Stichting Cultuur Kleine Noordijk
Ze rijdt er in haar eentje heen, op haar Tom-Tom, over de Wilpse dijk
Plots ziet ze haar kasteel, ogen geloken, ‘t al in toverlover vertaald.

Toch niet daar? Droombeeld mag je niet met echt bestaan verstoten
Bestemming bereikt! Geroezemoes stijgt uit het koetshuis op, ‘t is in ’t bos
Zij is te laat, de stoelen op, ze krijgt een kinderstoel op hoge poten
Lenny zingt “En wie ben jij?”, koert alle pijn onder haar boezem los
In de pauze naar de hal: een man herschikt zijn haren in een spiegel
’t Zit goed hoor, zegt ze en hij kijkt haar aan, zij voelt een vreemde kriebel
Hij offreert haar witte wijn, blijkt arts te zijn, aan zijn hand geen ring

Of het zo moet zijn wand’len zij na afloop saam naar hun voitures
Al keuvelend over kastanjebomen trekt hij zijn jasje in de plooi
Maar dan: daar staat haar mini, ernaast zijn Volvo, zo’n hele grote dure
Nu komt dat stil moment waarin iets wordt bekend, pijnlijk of mooi
Even maar schampt hij met grote mannenhand maar teer haar wang
En zet dan koers naar zijn moderne koets, ook hij voor meer nog bang?
Beiden zitten, openen portieren, laten ramen naar beneden om te zwaaien

Dan gebeurt iets wonderlijks, hij stapt weer uit, ziet hij toch nog kans?
Hij houdt iets in zijn hand, brengt het voorzichtig voor haar neus
Het zijn z’n ogen die de hare onverholen nu … aaien
De voorgehouden buit is, heus, een pepermuntje, zo een van King
À propos, zegt hij erbij, mijn naam is Frans.

Neletta van Heuven

Aïscha

van heel je
hooglied Aïscha
toon je slechts
de rondingen
van je ogen
die verraden
schoonheid Aïscha
heerlijker dan wijn
om snikkend
te omhelzen
alle andere
blijven Aïscha
met meetkundige
precisie verborgen
onder je gewaad
welke huistiran
maakt Aïscha
van jouw lusthof
een verzegelde bron
van levend water
welke praalhans
verbiedt Aïscha
de rozen van het
leven vandaag
nog te plukken
je weet toch
wel Aïscha
dat genieten een
onvervreemdbaar
mensenrecht is

Tinus Derks

Mijmeringen

Soms hoef ik alleen maar aan vinnen te denken
om alle zwemrecords te breken. Maar als jíj het
wilt gaan we vandaag een pleziertochtje maken.

Jij zit schrijlings op de ranke rug van mijn hybride
lichaam. Zo zwemmen we samen naar het
verzonken waterkasteel met zijn verrassende

bewoners: de puitaal, de fint, de griet. IJdele
vissen zijn het. Ze zwemmen pralend en
pronkend door de open ramen naar buiten om

ons hun onwaarschijnlijke kleuren te tonen: de
pracht van donkerrood met turquoise, geel
gemengd met glanzend wit, vermiljoen met

gouden rand. Geef me een kneepje met je kuiten
als dit uitje jou te veel wordt, te adembenemend
misschien. Dan zwiep ik je met mijn staart van

me af en schiet je in één beweging door naar
boven, waar de kabbelende golfjes vol onrust op
je wachten. Terwijl ik achterblijf om nog even

te trainen.

Jan van Laar

Copy Cat

in de flits van voorbijgaan
raakt plotseling dit zicht
een herinnering en ziel
zoals nooit zou verkeren

toen met zoveel kracht
bedacht in competitie
nu een laffe pauw
die pronkt met deze veren

woede laat zich leiden
naar stoppen deze bouw
met beeld niet verjaard

besef dringt echter door
dat ontkenning gaat winnen
en geld is bespaard

Maarten Douwe Bredero

Sms-gedicht

Op de plek van toen
we verliefd
verstrengeld zaten
wachtte ik troosteloos
op een visioen

van opnieuw beginnen

en dat jij kwam;

zachtjes praatte
kom toch binnen!

Wim van den Hoonaard

Uitverkoren

Soms kan ik toch
zo genieten van

Tekening door Benne Solinger
andermans werk
en dan denk ik
bij mezelf:
het is ook niet
voor iedereen
weggelegd:

zand aanharken
in de duinen.

Wim van den Hoonaard

Daventria Felix

het Raadhuis is verzonken in een diepe put –
de oudjes van Corel staan plotseling voor schut –
gezegend is de stad die door een oehoeman
                 de slaap niet vatten kan

en daklozen hebben de harde straat tot bed –
en huurders worden pardoes hun huizen uitgezet –
maar diep gelukkig is de stad die door een oehoeman
                de slaap niet vatten kan

bevolking krimpt en mooie winkels blijven onbezet –
geen universiteit, en niemand die daar nog op let –
gezegend is de stad die door een oehoeman
                de slaap niet vatten kan

en Deventer verschraalt tot anonieme plek –
museumloos, ambitieloos, naast Zwolle een vlek –
toch fijne stad die door een oehoeman
               de slaap niet vatten kan

Lief Deventer, locatie van mijn rust en lusten,
droom voort, verrijs ter stelt, en verder: wel te ruste!

Herman Posthumus Meyjes