donderdag 31 oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013 - Onderwerp:
Vorst en Volk (thema van de maand van de geschiedenis)

Inleiding bij de 31ste bijeenkomst van het Deventer Dichterscafé door Jos Paardekooper:

Helmers, ‘De Hollandsche Natie’
Over een maand is het zover: dan herdenken we het heuglijke feit dat eind november 1813 de zoon van onze naar Engeland uitgeweken laatste stadhouder, Willem V, aanspoelde op het Scheveningse strand, om eerst als soeverein vorst, uiteindelijk, nee, niet als stadhouder Willem VI, maar als koning Willem I ons land te gaan regeren – waarmee hij de Republiek der Verenigde Nederlanden zomaar tot een koninkrijk promoveerde, of degradeerde. In ieder geval nog lang geen democratie, want tussen vorst en volk stonden op dat moment nog een grondwet en talrijke praktische en andere bezwaren.
Ook los van dat feit stond de nog prille negentiende eeuw bol van nationalisme en vaderlandsliefde: met de komst van Willem I viel de bevrijding van ons land van het Franse juk samen, en groeide na de val van Napoleon en het Wener Congres (1815) alom in Europa het besef dat burgers leefden in en deel uitmaakten van een land, beter nog: van een natie. De tijd van de natiestaten was aangebroken. En die burger werd geacht trots te zijn op zijn land, en dat ook in zijn eigen volkstaal te bezingen; ‘de taal is gans het volk’, immers.

Als geen ander is dat ten onzent gedaan door Jan Frederik Helmers, die overigens dat aanspoelen van zijn eerste koning niet meer heeft mogen meemaken. Hij stierf, amper 45 jaar oud, op 26 februari 1813, slechts een paar maanden na het verschijnen van het werk dat hier kort zal worden besproken, De Hollandsche Natie. Bij zijn tijdgenoten was hij, mede door deze zwanenzang, ongelooflijk populair: van het gedicht verschenen tientallen drukken in vele duizenden exemplaren, en binnen vijf jaar was het al integraal vertaald in het Frans, Engels, Duits en zelfs Maleis.
Ons oordeel over die jubelzang op ons nationale verleden is sterk gekleurd door wat dichters en critici vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw hebben geoordeeld. Dat begon al in de jaren dertig van die eeuw, in kritieken in het toen al roemruchte tijdschrift De Gids, door de scherpe pennen van Conrad Busken Huet en Potgieter, en dat is sindsdien zo gebleven, tot in onze eigentijdse schoolboeken, zoals hier in de befaamde Literatuurgeschiedenis van H.J.M.F. Lodewick, waarmee in ieder geval de roomse jeugd na de Tweede Wereldoorlog is opgegroeid:

‘De Hollandsche Natie [geeft] hem meer recht […] op onze bewondering voor zijn moed dan op onze waardering voor zijn talent. Het gedicht is door zijn chauvinisme, retoriek en bombast lichtelijk lachwekkend, maar er was moed voor nodig om dit gedicht in die tijd onder de neus der Fransen uit te geven: het bevel tot arrestatie kwam juist één dag na ’s dichters dood.’
(o.c., deel I, 11de dr., 1963, p. 259)

Wat chauvinisme, retoriek en bombast precies waren, dat wist ik toen als jonge middelbare scholier nog niet, maar die dood terwijl de politie aan je deur staat te rammelen, dat sprak ons erg aan. Helmers’ eigentijdse couranten formuleerden het omfloerst: ‘Hij werd weggerukt uit dit aardse tranendal, nadat hij zijn arbeid ten dienste van zijn vaderland had voltooid; het zaad was in de aarde gestrooid.’

Intussen vertoont onze eigen tijd interessante gelijkenissen met die van twee eeuwen geleden; ook nu een hang naar het verleden, afgetopt met een iets minder grootsprakig sausje van nationale trots. (Tenzij het overwinningen op sportgebied betreft: dan gaan alle remmen los.) Wij zouden onze nationale identiteit, of onze liefde voor het vaderland (die volgens de negentiende-eeuwer ‘een ieder is aangeboren’) niet zo gauw meer aldus verwoorden:

ô Grond! waarop, in blijde dagen,
Een moeder me onder ’t hart gedragen,
Mijn wieg, en rinkelstoel met bloemen heeft bestrooid!

ô Grond! waarop in reine weelde,
Ik aan haar’ dierbren boezem speelde,
ô Aangeboren grond! neen, ik vergeet u nooit!

Maar in haar voortreffelijke uitgave van het gedicht dat met deze regels begint, benadrukt Lotte Jensen, hoogleraar negentiende-eeuwse letterkunde te Nijmegen, de kwaliteiten die het, ondanks alle bombast die er inderdaad aan kleeft, toch ook de moeite waard is, en niet alleen omdat de auteur er zowat vijftien jaar aan gewerkt en geschaafd heeft:

Het is ook een zorgvuldig geconstrueerd, erudiet en gestileerd geheel. De tekst is bovendien representatief voor een periode waarin vaderlandsliefde het kloppende hart van de literatuur vormde.’
(J.F. Helmers, De Hollandsche natie, ed. Lotte Jensen, Vantilt, Nijmegen, 2009, p. 10)

Voor deze bijeenkomst en dit gezelschap is Helmers’ gedicht naar ik meen vooral om de volgende twee redenen interessant.
Ten eerste benadrukt Helmers in de ‘Voorrede’, die aan het gedicht voorafgaat, dat de tekst nadrukkelijk bedoeld is om gereciteerd, voorgedragen te worden, en niet in stilte en in de eenzaamheid van huis- of studeerkamer gelezen. Hij vertolkt daarmee een algemene mening van de negentiende eeuw: poëzie is, net als muziek, expliciet bedoeld om te horen, niet, in ieder geval niet allereerst om te lezen.Niet voor niets bestaat zijn gedicht uit zes zangen. Dat lijkt me voor een gezelschap als het onze, waar de leesbaarheid versus de hoorbaarheid van onze eigen gedichten geregeld ter discussie staat, en waar we zo graag de tekst van het voorgedragene vóór ons willen hebben, een interessante opmerking.
Ten tweede lezen we in diezelfde ‘Voorrede’ aangaande de stof, het onderwerp,  van onze poëzie dat grote, diepgaande onderwerpen zich daar niet voor lenen, maar dat we het juist over de kleinere dingen moeten hebben. Letterlijk schrijft Helmers:

Er is geen onderwerp, hoe arm, hoe klein, hoe nietig ook in zichzelve, dat voor den dichter niet rijk, groot, belangrijk zijn kan, wanneer hij waarlijk dichter is. Zijn gevoel, zijn gloeijende verbeelding, zet zijn geheele ziel in vlam, en hij weet het gevoel, dat hem bezielt, in het hart zijner lezers en hoorders uit te storten. ’t Is daar, waar zijn onderwerp bijna geen stof aanbiedt, dat zijn scheppend vermogen zich ontwikkelt: dan is het, dat hij waarlijk dichter, dat is: schepper zijn kan.’

En het is ook daarom dat hij zelf aangeeft zijn gedicht ‘met schroom’ aan zijn lezers ‘ter hand te stellen’. Het onderwerp immers is eigenlijk te groot. Ook dit standpunt, deze opinie, lijkt me voor ons gezelschap van belang, en wellicht voor sommigen van ons, die zouden schromen bij wijze van spreken over zoiets alledaags als ‘jonge sla’ of een ‘Singer naaimasjien’ te dichten, een steun in de rug. Al hoeven we de poëzie-opvattingen van Helmers natuurlijk niet te delen.

Nogmaals: ons oordeel over Helmers’ dichterlijke voortbrengselen is ernstig ingekleurd door het tamelijk vernietigende oordeel van latere geslachten. Wie aldus begint (het zijn de aanvangsregels van het eigenlijke gedicht):

Barst los, bezielt u, heilge snaren!
De lofzang ruisch’ deez’ bosschen rond:
’t Gevoel stroome uit uw hart, gewijde priestrenscharen!
Heft aan, ô Wodans harpenaren!
’t Geldt de eer van d’ouderlijken grond. –

… kortom, wie zo kwistig rondstrooit met ‘heilge gronden’ en uitroeptekens, die kan reacties, zelfs van kunstbroeders, verwachten als deze:

Wij allen weten dat Jan Helmers’ groote Natie
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie.
(Peter A. de Génestet, 1849)

Of deze:
Laat niemand u verdenken
Als of gy aan ’t feit zoudt twijflen
Dat, sints  zijn bestaan, ons Neêrland
Een aparten Lieven Heer heeft,
Dat aan ons in elken zeeslag
De overwinning is verbleven,
Dat zich Helmers nimmer schuldig
Heeft gemaakt aan overdrijving […], etc.
(Jacob van Lennep, 1854)

De doodssteek, voor zover nog nodig, deelde de gevreesde literatuurcriticus Menno ter Braak uit, in de dertiger jaren van de twintigste eeuw, met de volgende definitie:

‘Helmersesthetiek – dat is de verzamelnaam voor alle Nederduitsche, Opperpommersche en Boven-Moerdijksche agrariërs-bombast.’

Het zij zo. Maar toch; als Helmers zijn zangen, na een kleine 3500 dichtregels, besluit met de volgende woorden:

En Gij mijn Landgenoot! ô zoo ik ’t lot mogt danken,
Dat ik één harte slechts bezield heb door mijn klanken,
Eén ziel ontgloeid heb tot der vaadren moed en kracht,
ô Dan is niet vergeefs mijn zang U toegebragt.

dan mag hij, wat mij betreft, op dit moment voor even weer een klein beetje tevreden zijn: het is niet helemaal vergeefs geweest, want ‘het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’


De gedichtenronde wordt voorgezeten door Jan van Laar

Gedichten van deze bijeenkomst:
Kloos reading door Leen de Oude
(passend bij het thema van het Deventer Dichterscafé: "en dorst is alles wat men overhoudt").

Ik zoek een koning door Dick Smeijers
Mijn vorstin door Herman Posthumus Meyjes
Vorst en Volk door Ingrid Beckering Vinckers
Vorst en Volk door Michiel van Hunenstijn
Haan door Jan van Laar
Vorst aan de grond! door Cees Leliveld
In naam van God en vaderland door Neletta van Heuven
Clash Control door Maarten Douwe Bredero
Vorst door Greet Dijkhuis
Standbeelden door Tinus Derks
Een ruige vorst door Nele Holsheimer
Vorst en Volk door Sieth Delhaas
Van man en macht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Vorst en Volk door José Hattink-Blom
Klaaglied voor een koning door Wim van den Hoonaard
Vorst en Volk door Violet Asseruit Mane
Zo kuis als ijzer door Dick van Welzen (niet voorgedragen)
De condor door Pieter Bas Kempe
Zo'n opgave door Klaas Wijnsma

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.