woensdag 31 december 2014

Dichterscafé december 2014

Dichterscafé december 2014 - Onderwerp:
Geen vastgesteld onderwerp

Zoals aangekondigd stellen wij voor dat de decemberbijeenkomst geen thema kent.
Zo u wilt zou het thema dus ‘geen thema’ kunnen zijn.  


Het lijkt ons bovendien dat de afsluiting met ‘spichten’ zijn langste tijd wel gehad heeft, al is het natuurlijk niet verboden dat deze of gene bij wijze van vrij gedicht nu juist een spicht of spichtenreeks inlevert. Kortom: alles mag!!




Gedichten van deze bijeenkomst:

De louteringsberg door Wibo Neigbal
Dood bier door Wibo Neigbal
De terugblik door Joost Golsteyn
Enerverende stilte door Anna Wiersma
Liefste door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Eindejaarsmijmeringen door Dick Smeijers
Twee-duizend-vijftien door Dick Smeijers 

Zonder titel door Henry Jansen
Train of Thought door Theo de Jong
Sepia Mist door Maarten Douwe Bredero
Een date door Jan van Laar

Twee oude vrienden door Jan van Laar
Knuffel door Wim van den Hoonaard

Geen Thema door Astrid Aalderink
Saucijzenbroodje door Astrid Aalderink
Geen thema door Cees Leliveld
Verfromfraaid door Nele Holsheimer

Spichtroman door Tinus Derks
Metamorfose door Niels Klinkenberg (vertaling)

Hoofdstuk LVII door Klaas Wijnsma (vertaling)
Vogels kijken door Leen de Oude
Alles of niets door Neltta van Heuven
Kersttijd door Neletta van Heuven
Gedicht met cardanaandrijving door Herman Posthumus Meyjes
De spicht die brulde door Pieter Bas Kempe
Voor mij geen thee, ma door Alfred Bronswijk

De Louteringsberg

 (‘They keep on talking about tomorrow, sometimes about forever…,
 I’m still struggling about today’)

Ik kan niet zitten
Op wat je kunt noemen
Een andere plaats
Een verkeerde plaats
Da’s raar
Als je er niet over nadenkt
Als je er wel over nadenkt
Verdriet is de verloren plaats
Als je dat niet begrepen hebt
En
Als je dat wel begrepen hebt

Hij die troostrijk kan sterven
Laat hem niet dralen

Overtollige lozing van gedachten
Botst met wat niet te vermijden is

Ongemerkt krijg je meer vaart
De boodschap die ontstijgt
- Verstijgt -
Het beeld van veelkleurig kwantum
Naïef rood - gewoon uit de bus
Hoe kleurig ben je als je eindeloos mengt
Zelf mengt
Op een doek
En ver van huis

Een werkelijk fata morgana
Dat verlies moet je leren nemen

Je bent Hoer - je bent Vrouw - Vriendin
Moeder - Maatje - Maria - Minnares
Rechter, Aanklager en Advocaat
Als je dat niet begrepen hebt
En
Als je dat wel begrepen hebt

Zij die troostrijk kan leven
Laat haar niet dralen

Predikant en drugsaddict
Godsgeschenk en zondagskind
Zwak zwijn en moralist
Het is van alles niets
Het is van tweeën een
En dat is ook nooit andersom
En ook de beklimming van de
Louteringsberg begint met de eerste stap
Een kleine stap…

Ook als je dat niet begrepen hebt…

Wibo Neigbal
Beirut, 2005

Dood bier

(Met dank aan Jan-titel-Krüse)

Toen
Toen bleek dat de boze buitenwereld
Veel meer leek op wat ik beweerde
Dan dat
Jij dacht
Dacht dat het was
En gelijkelijk gold voor de broze binnenwereld
En voor zover ik dacht dat ‘ie reden van bestaan had
Had ik je niet meer

Op schoot
Op schoot moeten nemen

Op schoot
Op schoot had ik je nooit meer
Behalve voor de billenkoek
Nooit meer moeten nemen

Dood
Dood bier
Zei je
En Weg
Weg is er vanaf
En nergens heen

Rekeningen
Rekeningen, van die hele vette, had ik je moeten sturen

Betalen
Betalen, kreng, had ik eronder moeten zetten

Dood bier
Je kan m’n rug op

(Vergeven
Vergeven is verdergaan
en vrijheid)

Wibo Neigbal
Bouwkunde Deventer, Nationale Gedichtendag 2012

De terugblik

We zijn beland in het tijdsgewricht
Dat ons door profeterende dichters
Reeds werd voorgehouden

En alles is hetzelfde gebleven

De profetieën ontvouwen zich
In een ontwapenende eenvoud
Die nooit van veranderen wist

En toch ben ik ouder geworden

In de toekomst zit iemand
Die alles begrijpt want de levenslijn
Van wat is staat gekerfd in de handpalm

Van de tijd:
Wat is oud
Wat is wijs
Wat is dwaas
Vraagt de sterveling zich af

De ziener ziet en zegt:
Wat dwaas is smelt samen
Met de vergankelijkheid
Wijsheid stroomt verder

En pril is alles
Wat door de dood
Nog niet is aangeraakt

Joost Golsteyn

Enerverende stilte

Hoor je de rust van de geluiden
nu het niet stil is, in je hoofd?
Een wentelwiek, de dakbedekkers
en de buizerd, de kikkers in de poel.
De ganzen en het pasgeboren geitje.
Hoor je ’t opvliegend spreeuwenvolk?

Hoor je de rust van de geluiden?
Het ritme van de regen, een lied
dat door de bomen ruist.
Het rommelen van de donder
en het klapperen van de zeilen.
Luister de stilte zit niet in je hoofd.

Anna Wiersma
28-06-2014

Liefste

Als je van een hond houdt
of een kat, zo’n zachte
ongecompliceerd aanhankelijke,
maar eigenwijze
die ’s avonds niet thuis komt
niet bij je terug komt
ondanks je vleien, je geroep –

en die dan toch, na
peilloos lange tijd
met duizend angsten,
als vanzelfsprekend
met staart omhoog
naar binnen treedt en
zich weer nestelt op je bank,

je hart dat stilstond
na krampachtig krimpen
weer warm ten leven klopt -

Als je gehecht bent
onvoorwaardelijk

Als je liefste

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Eindejaars mijmeringen…

Een nieuw jaar naderbij
groot dient het zich aan
Herinneringen:
kleurrijke gebeurtenissen
als bloemen op een vaas gezet
Verdriet ebt langzaam weg…
Dat blijdschap blijven mag
en zeker weten dat
uiteindelijk de smaak van goedheid
het bitter overtreft

Dick Smeijers

Twee-duizend-vijftien

Elk jaar vertelt…
Van zoveel mooie woorden
Van  hartenkreten om geluk,
Gezondheid en wat warmte
Waarin we mogen schuilen.
We gaan op zoek naar
Nieuwe jaren van verleden tijd.

Dick Smeijers

Zonder titel

Een kunstenaar, dichter, musicus, predikant
kan leren hobby of werk
met vallen en opstaan
\kwaliteit te leveren
als u blijft oefenen
want oefening baart kunst
dan komt soms zomaar werk van hoog niveau.

Henry Jansen

Train of Thought

Dit onbekende komt mij bekend voor,
dit perron met bloemen in het grint,
deze passagiers, wassen beelden van wachten,
deze lijnen eindigend in het oneindige,
een vreemde trein die mij de tijd in rijdt
en terugbrengt naar wat ik was:
zwerver op eigen terrein en vreemdeling
in steden die mijn adres droegen.

Zo veel treinen,
zo veel stations,
zo veel gepasseerd.

Als kind bekeek je gretig de reclame langs de lijn,
die je wegwijs maakte in het leven en je bijbracht
dat je ooit zou bereiken wat je nooit had gewild,
dat je aan kon komen zonder weg te gaan
en weg kon met meer dan alles wat je had.
En dan nu te beseffen dat dit zo is –
zij het anders.

Theo de Jong

Sepia Mist

steeds minder bladeren
traag lezend om te keren
hoewel
letters blijven komen
nu via de ether terstond

zodat het vuur blijft branden
uit jonge geesten in vlam
met een passie
zoals altijd
zoals het geschrift verging

en zie daar de kade
om steeds weer af te meren
over het stromende water
vóór de verre zee

zodat het overvaren
naar de vaste wal
- die van steen en aarde –
na u en ons
zal blijven bestaan

Maarten Douwe Bredero

Een date

Ik houd van vrouwen die meer orde scheppen dan onrust
baren, die mij liever omhelzen in een beschutte
bezemkast dan op een regenachtige straathoek, maar
soms geef ik de voorkeur aan kort en zondig.

Ik hoor liever het gezeur van kinderen dan de stoere taal
van vaders of de drama’s van moeders, liever het
geschreeuw van lichtzinnige zwerfkatten dan het
geschuifel van stiekeme egels, liever vroege vogels dan
lallende nachtbrakers.

Ik opteer voor zwijgers die kunnen praten, doeners die
kunnen denken, prefereer verse teksten boven bedorven
raadseltaal, ik loop liever ín dan náást mijn schoenen,
liever een blauwtje dan een risico, steek liever mijn tong
uit dan mijn hand in het vuur.

Ik waardeer geen beren op de weg, geen spinnen in mijn
bed, geen Russen in mijn keuken. Daarom zet ik de deur
eerder op een kier dan wagenwijd open. Mijn fiets zet ik
altijd op slot.

Verder boeit een volle fles mij meer dan een lekkende
kraan, hoewel ik daar niet zeker van ben.

Weet je zo genoeg?

Jan van Laar

Twee oude vrienden

Zij zuchten en herinneren zich de tijd
niet meer dat zij nog optimistisch waren
en spraken over een toekomst zonder zwarig-
heid en waar alles blonk van vrolijkheid.

Zij zitten in de kroeg van groot verdriet,
en treuren om de vriendschap die verdween.
Eendrachtig klagen zij daar steen en been
als zongen zij een somber, eentonig lied,

totdat er één gaat staan. Hij roept: ‘Komaan,
en giet je vriendschap over in mijn glas
dat jaren lang al elke inhoud mist.’

De ander, even lang al pessimis-
tisch, geeft zich volledig over, blij verrast…
Dan reiken zij elkaar de glazen aan.

Jan van Laar

Knuffel

Was de straat ooit meer verlaten,
ergens is een mens in nood,
houvast werd plots losgelaten,
er ligt een knuffel in de goot!

Wie wil leven achterstevoren
leeft slechts feilloos als de dood,
zoekt na falen nooit naar sporen,
er ligt een knuffel in de goot!

Is onze zwakheid te beklagen
van het hechten, niet versagen,
is de knuffel hier de klos?

Is de ballast die wij dragen
in onszelf het onbehagen
vrij te zijn en toch niet los?

Wim van den Hoonaard

(op 26 juni zag ik in Deventer een knuffel op een stoeprand
liggen toen ik er langs fietste, nog niet wetende dat er na het 
vliegtuigongeluk –MH17- op 17 juli, ook verlaten knuffels 
op de grond te zien waren).

Geen Thema

Help ! Het thema is: geen thema !
Heel mijn houvast ben ik kwijt.
Ik ga dwalend, dolend rond.
Ik doe maar wat, straks heb ik spijt...
Want wat moet ik en wat mag ik
en wat vind ik op zo’n dag ?
Nu het thema is; geen thema
ben ik helemaal van slag.

Help ! Het thema is: geen thema !
Geen sonnet en geen ballade
En ik eet niet, weet het niet;
noch herfstmenu, noch kerstsalade.
‘K heb geen schema en het zijn
geen voordeelweken bij de Hema.
Dus wat doe ik en wat moet ik
en wat mag ik op zo’n dag ?
Nu het thema is; geen thema
ben ik helemaal van slag.

Zonder steun en zonder opdracht
leef ik maar van uur tot uur
want er is niets ingedeeld,
geënsceneerd, iets van structuur.
Toch groeit er een zekere twijfel.
Ik zie kansen, mogelijkheden,
Als een onbeschreven blad  zo
maagd’lijk puur gloort hier het heden.

Wat een dag, dag van niets hoeven,
nog voor niets is het te laat.
Dus ik wacht met open armen
op wat er nog komen gaat.
Waar ik ben is waar ik zijn wil
dus hoezo ben ik van slag ?
Nee, geen thema, wat een weelde,
wat een wondermooie dag !

Astrid Aalderink

Saucijzenbroodje

kwart over acht
onze eerste patiënt

tussen Sallands dialect en
jouw Iraaks-Koerdisch accent
is het warm met weinig woorden

een hooghartige mevrouw
in een hooggesloten jurk
staat aan de balie en wil niet
geholpen worden door die Turk

ze heeft zo’n zere hand,
zo’n moeite met veranderingen
jij glimlacht, blijft beleefd
spreekt nooit over je martelingen

de traktatie bij de koffie vind je
heerlijk maar hoe heet het ?
saucijzenbroodje schrijf ik op
een stukje van de krant
jij moet lachen zo’n gek woord
maar scheurt behoedzaam het
papiertje af en stopt het in je zak

mevrouw met jurk was pas in Dubai
prima shoppen maar té heet
jij in Irak begroef je vader
die er  op een bermbom reed

ik kijk naar buiten waar de zon
het nu gaat winnen van de mist

mevrouw met jurk ziet u de lucht ?
bedank het leven en wordt wakker

met het briefje in je zak ga je
-weet ik bijna zeker- deze week
nog langs de bakker

Astrid Aalderink

GEEN THEMA!

(en de noodlottige gevolgen daarvan)

Iedere laatste dinsdag van de maand
schuifelt een kleine menigte omzichtig
naar hun geheime plaats van samenkomst:
staande en gelegen op een bevederd eiland
en dat midden in de stad.
Meer kan ik er niet van zeggen
want men houdt het graag geheim.
Op die plek, het is een soort café,
draagt men uit meegebrachte verzen voor
en wel met wisselend succes.
Beluisterd door een soort presidium
en verder door het gemeen publiek.
Amateurs zijn zij, al dan niet oprecht,
jong en oud, gevorderd of nog half was.
Maar allen hebben zij die ene wens:
dat hun dichterlijke zinnen worden aangehoord.
Steeds kreeg men maandelijks een thema op
dat de pennen in beweging bracht!
Tot op die noodlottige dinsdag in november
dat Hermanus Magnus het consigne gaf:
in december zal er geen thema zijn!
Geen thema en die poëzie moet ook beter!
De verderfelijke invloed van die Sinterklaas
is ingeslopen in het dichterswerk.
Voor straf: geen thema! Dat zal ze leren!
Probeer het maar op eigen kracht
en wie het niet gelukt gaat naar het Themakamp!
De bewakers zijn geselecteerd in Noord-Korea
uit de allerwreedsten van dat slag.
Uit die kampen zijn slechts weinigen terug gekomen!
Dus dat ruimt waarschijnlijk lekker op.
De lieve Arja deed vergeefs een bede:
Ach Vader, val hen niet te hard!
Er is veel sluimerend talent in deze kring
en ooit zullen wij dit op zien bloeien.
Neen, Arja! sprak de eminente Dichtervorst:
Wie zijn kind’ren lief heeft spare zijn roede niet!
Het suizend neerkomen van het bestraffend riet
zal de ware dichters van de prutsers scheiden!
Broeder Jos: zijt ook gij van dat gevoelen?
Wel zeker Heer: gij hebt wijs gesproken!
Laat duizend Spichten bloeien en die zullen er
langs deze weg ongetwijfeld komen!
Slechts een uitzondering zoude ik willen maken
en wel voor de Revisten onder ons
ook al zouden zij de Griekse beginselen
niet of slechts aarzelend zijn toegedaan.
Lieve Jongens zijn het: een of twee in deze kring
en op hen is al mijn hoop gevestigd!
Dat is oké Jos, al kost het mij wel moeite
want die Reve moet ik persoonlijk niet!
 Niet mijn wil, maar de uwe zal geschieden.
“Gaat nu allen heen!” klonk daarop het bevel:
En wie hier in december terug durft komen
weet wat hem of haar te wachten staat!

Cees Leliveld

Verfromfraaid

(voor H.R.)

een hoed was weggewaaid
en weer teruggevonden
verfrommeld

maar door regen en door wind
verfraaid

Graszaden waren
in zijn rand
gewaaid

een hondenstaart heeft
liefdevol zijn bol
geaaid

hij ligt nu op de vensterbank
krijgt elke dag
een scheutje water

het gras steeds naar de zon
gedraaid

kijk door het raam naar binnen
een hoed
verfrommeld en verfraaid

Nele Holsheimer

- verfomfaaid = kreukelig, verkreukeld, uit het model
- verfromfraaid komt ‘niet voor in woordenlijsten, 
  goedgekeurd door de taalunie", (Google), een voorlopige
  definitie: verfromfraaid = verfomfaaid, maar door een 
  toevallige oorzaak fraaier geworden; bij kunstwerken kan
  sprake van opzet zijn.

Spichtroman

Leentje leerde
Lotje lopen
langs de lange
lindelaan

Lotje echter
straalbezopen
liep maar achter
Leentje aan
        xxx

Lotje die dus
zwaar getikt was
had zes maanden
drooggestaan

Leentje bleef haar
begeleiden
langs de lange
lindelaan
        xxx

Vraagt men waarom
Lotjes leven
hopeloos is
misgegaan

Smachtend zocht ze
heetgebakerd
naar een zinvol
voortbestaan
       xxx

Lotje leed als
onvolwassen
meisje reeds aan
grootheidswaan

Zij was soms wat
ontevreden
en gedroeg zich
monomaan

Zij heeft ook als
jonge puber
aan excessen
blootgestaan

Zo betrof haar
seksuele
voorkeur slechts een
pyromaan
          xxx

Ook vertelt men
dat ze onlangs
in de Playboy
heeft gestaan

Met ontblote
adelborsten
was ons Lotje
niet veel aan
       xxx

Menigmaal is
Leentjes Lotje
voor de mannen
platgegaan

Want ze was een
oversekste
tippelende
nymfomaan
       xxx

Lotje was van
lichte zeden
en liep daaglijks
langs de baan

Maar daar ging ze
onfortuinlijk
als zovelen
naar de maan

Om mijn story
af te ronden
ben ik toch wat
aangedaan

Want een gangster
liquideerde
Lotje op de
lindelaan
       xxx

Leentje loopt nu
zonder Lotje
die helaas is
heengegaan

Heel alleen en
moederzielig
kan men haar daar
gadeslaan
       xxx

Zij betreurt wel
Lotjes lot en
heeft daarbij ook
stilgestaan

Want haar rol als
mantelzorger
heeft haar zeker
niet misstaan
       xxx

Niet als Lotjes
leentjebuurtje
heeft ze nu een
volle baan

Nee ze is nu
toezichthouder
op de lange
lindelaan

Tinus Derks

Metamorfose

Hertaling van het gedicht Métamorphose van Raoul Gineste

De eerste klokslag middernacht:
Haar kaken scheuren open;
De zwarte kat, onhoorbaar zacht,
Ze springt, is weggekropen…

De tweede klokslag middernacht:
Haar staart slaat door de lucht;
Haar ogen, helder, glanzen zacht
Ze maakt nog geen gerucht…

De klok heeft nu drie maal geluid.
Nu mauwt en grauwt de zwarte…
Een drietal wolven huilt voluit
Naar volle maan, vol smarte..

De vierde klokslag heeft geklonken;
Zij draait drie maal in cirkels rond;
Terwijl haar ogen schitrend vonken
En haar rug zich bolt, zich kromt.

De vijfde slag heeft al geklonken;
De haren van haar vacht rechtop…
Een duivels vuur vlamt nu vol vonken,
Het grijpt haar, neemt haar in zich op.

Bij de zesde laat ze brandend
Een damp, een witte rookkolom
Vloeien uit haar bek vol tanden,
Zich vormend, draaiend, om en om.

Bij slag zeven toont zich langzaam
Een slanke bleke vage vorm
Die zich bloedeloos tot lichaam
Omvormt, geel en wit, enorm…

De achtste slag:twee zwarte kolen
Plaatsen zich in holle ogen
En haar stem spreekt zacht, verholen,
Toverspreuken… monologen….

Het slaat negen en haar lippen,
Eerst zo wit, ze kleuren geel
En haar zwarte haren tippen
Aan haar heupen, sensueel.

De tiende slag, haar borsten vullen
Zich, verleidelijk en rond
Haar lijf laat zich door niets verhullen
En glanst geolied, pralend, pront..

De elfde slag heeft al geklonken:
De bezem roert zich, richt zich op,
Biedt zich aan, wil met haar pronken
Noodt haar: vrouwe, stijg maar op.

De laatste slag van middernacht:
Ze vliegt naar waar de nachtwind fluit
Naar boven, naar de heldre nacht
De schoorsteen uit….

Niels Klinkenberg




HOOFDSTUK LVII

Vertaling van het gedicht: CAPÍTULO LVII van Santiago Montobbio

Als je komt en je dag na dag aanpast aan mijn moeilijke aard
krijg je aan de oever van de droom
een huis van water, als je komt en in mij
’t steeds meer donkert en jij niet weggaat
mijn vingers zangvogels reeds
in je ziel, vogels, als je komt
vogels die jouw lichaam tot takken maken
en voor jouw liefde voor dag en dauw
ik reeds zuiver kristal:

van de vele, vrijwel ontelbare melodieën
           waarmee ik verscheurde biografieën dichtte
vormen deze wellicht
mijn meest geliefde,

  deze, en van de overige
gevaarlijke slagen van hun vleugels steeds de maten
die omdat ze mogelijk uit naïever hout gesneden zijn
stapsgewijs gestadig
een radeloos kraken van dromen wekten.

Uit de verscheurde, ja versnipperde biografieën van mijn ziel
zou ik uit weemoed nog immer
de hele leugens van deze melodieën verkiezen,
ware het niet dat ze zoals alles
frontaal in botsing zijn gekomen
met de vergetelheid.

Want door zo koppig vast te houden aan wat verloren ging ging ik
zelf teloor en voor de literatuur heb ik
geestelijk geen krachten over.

En dus
is dit geen poëzie. ’t Is mijn gemoed.

© Klaas Wijnsma

Vogels kijken

Er is vandaag niets bijzonders gebeurd,
behalve dat ik een nieuwe verrekijker heb gekocht.
Vergroot twaalf keer, zei de verkoper.

Ik bespied vogels, moet u weten.
Mijn perspectief wordt begrensd door een kijkhut.
Ik zie scherp, ik maak het kleine groter.
Ik bekijk de wereld door een luikje.
Dat bevalt mij: wat ik niet zie, bestaat niet.
Ik ben veilig, niemand ziet mij.

Ik richtte de kijker door de winkelruit naar buiten,
op het terras aan de overkant van de straat.
Toen zag ik.
Daar zat jij, zeldzaam mooie vogel,
alleen aan een tafeltje in de zon.
Je was niet geringd, ook dat zag ik.
Een buitenkans.
Die vogel wil ik vangen, dacht ik,
mijn kooi is groot genoeg voor z’n tweeën.

Ik bleef kijken. Wilde je opstaan?
Dan was snel handelen geboden.
Ik haastte mij naar de uitgang van de winkel.
Maar voordat ik de straat kon oversteken,
schoof er een bestelbus in mijn blikveld.
Toen hij weg was, zag ik nog net
hoe jij je zomerse vleugels ontvouwde,
opsteeg, en langzaam oploste in het blauw.
Daar kon ik met geen kijker tegenop.

Leen de Oude

Alles of niets

de ruimte tussen aller-
allerkleinste deeltjes is
een loze ruimte, niets dus
zou je denken, nee, want
menig kwantumfysicus
denkt daar toch heel
anders over, ziet die
ruimte niet als leegte
maar als volte, vol van
energetische geladenheid
aan ons mensenoog en
welk instrument dan ook
mysterieus onttrokken
juist daar wordt in elk 
aller-, allerkleinst moment
iets geschapen uit het
niets, maar dat niets is
eigenlijk dus niet niets
maar … alles, misschien
wel iets als … god

dus: geen thema
lijkt een beetje raar
misschien wel dom
maar is in diepste wezen
de onzichtbare kroon
op ons goddelijke
te saam gedeelde

dichtersjaar

Neletta van Heuven  

Kersttijd

Kersttijd brengt mij bij mijn diep verlangen
Naar wat o-gen-schijn-lijk niet bestaat
Wat haast niemand lijkt te zoeken
Wat, soms bijna vast,  mij weer verlaat

Kersttijd trekt mij naar mijn diep verlangen
Naar een veilig thuis, nooit opgebouwd
Doch altijd blijf ik naar de stenen zoeken
Als een kind dat vader tóch vertrouwt

Neletta van Heuven

Gedicht met cardanaandrijving

 naar een idee van Joska van Vuuren

Het kroonwiel grijpt onstuimig aan
de as komt gretig in beweging, draait
in het rond, haaks op de gekozen richting.
Ik wil vooruit, maar sta steeds dwars
op het doel dat ik mij levenslang had voorgenomen.
Een soepele bocht, tot scherpe hoek verworden,
blijft van overgangen wars.
Beweging is mijn enige verplichting.
Rondgang wordt als dwars vooruit verstaan.
De overbrenging is in orde,
en ik zet af voor de hoogste horde -
maar 'k blijf immobiel– er is geen wrikken aan.

© Herman Posthumus Meyjes
1 augustus 2014

De spicht die brulde (vanuit Zutphen)

Wie van zins is ook dit jaar die
tonnen vuurwerk te doorstaan,
hecht dus méer dan
zesjesminnetjesgemiddeld
aan ’t bestaan!

Ziet gij hem in Twee Nul Vijftien
op het Vogeleiland weer?
Als het ligt aan Allah, Boeddha,
Zarathustra, Ons Lief Heer,

èn hemzelf die in dit rijtje
zeker niet ontbreken mag,
luidt het antwoord:
“Vanzelfsprekend!”,
met geloof en met gezag!

Al is hem de stadsdichtscepter
gluip’rig door de neus geboord,
uit zijn
Glühweinhersenkookpan
schrijdt de versvoet nijver voort!

Pieter Bas Kempe

Met beste wensen voor de gehele volière!

Voor mij geen thee, ma

Melodie:  ‘It s a Long Way to Tipperary’


Solo: Wat heeft een dichter nodig
als de Muze hem verleidt?
Wat zal hem inspireren 
tot  de  roem in eeuwigheid?
Wat stuwt hem op tot hoogten,
en tot verzen ongedacht?
Is het misschien het thee-effect,
dat hem zijn regels bracht?

Allen:
Ach wel nee, ma, voor mij geen thee, ma,
ook geen PickWick of Earl Grey.
Op dat bocht ligt voor mij een fatwa                          
Uilenpies dat is passé!
Ik heb liever de promillages,
van wiskies of het bier.
Met het nat van Franse wijnplantages
doe je mij meer plezier.

Dus voortaan, ma, voor mij geen thee, ma,
niet van Lidl of de Plus.
Ik verklaar als persoonlijk dogma,
dat ik echt geen thee meer lus.
Want van thee, ma, wordt niemand dronken
en het stijgt niet naar je kop.
Waarom thee, ma, dan nog hier geschonken,
Hou daar , mee op.

Solo:
Want wie er, metri causa,
aan de rijmerij begint,
die heeft iets stevigs nodig,
voordat  hij iets moois verzint.
De nectar van de Muze
en liefst met glazen vol,
dat is geen kopje slappe thee,
dat is de alcohol!

Allen:
Ach wel nee, ma, voor mij geen thee, ma,
ook geen PickWick of Earl Grey.
Op dat bocht ligt voor mij een fatwa.                          
Uilenpies dat is passé!
Ik heb liever de promillages,
van wiskies of het bier.
Met het nat van Franse wijnplantages
doe je mij meer plezier.


donderdag 27 november 2014

Dichterscafé november 2014

Dichterscafé november 2014 - Onderwerp:
Ballade


Toelichting (zie onderstaand) door Jos Paardekooper
Inleiding door Herman Posthumus Meyjes op 25 november 2014. 


Ballade
Over de ballade kan een ieder op internet veel, zeer veel vinden. Een van de eerste ‘treffers’ die op dit trefwoord te voorschijn komt, luidt al: ‘Ballade – 15 definities’. Dat biedt ons dus veel vrijheid. 
Maar tegelijk vallen er toch ook een aantal heel karakteristieke kenmerken te bespeuren. 

Inhoudelijk is de ballade in principe:
  • een verhalend gedicht (lied);
  • een gedicht waarbij het verhaal zich sprongsgewijs ontwikkelt (vgl. een stripverhaal);
  • en ook: een verhaal met een droevige ondertoon. (Dit ter onderscheiding van de ‘romance’, die wel als de opgewekte, vrolijke tegenhanger van de ballade gezien wordt.
De ballade is als dicht-, zang en dansvorm afkomstig uit Frankrijk (15de eeuw); niet toevallig is het woord dan ook verwant aan ‘bal’ en ‘ballet’. Het (oud-)Franse werkwoord ‘balar’ betekent dansen.

Dat de ballade vaak ook gezongen wordt (wie kent niet ‘De Zuiderzeeballade’?) komt in zijn vormkenmerken tot uiting:
  • bestaand uit een aantal even lange strofen (tussen de vier en tien regels);
  • vaak eindigen die strofen op eenzelfde regel (de zg. refreinregel).
  • de laatste strofe hoort eigenlijk gewijd te zijn aan de opdrachtgever (meestal de plaatselijkeheerser), en heet daarom wel ‘envoi’ (opdracht) of ‘prince’.  Dit kenmerk is in de loop der tijden vrijwel verdwenen.
          ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
                    Wie schrijft die blijft; wie dicht die spicht

Nogmaals: spichten dichten

Korte cursus ‘Spichten dichten’, aan de hand van Drandus P.
ook ontdekt u onbelichte kwaliteiten (een of twee).

Op veler verzoek nogmaals de belangrijkste kenmerken van een spichtdicht, een genre dat door de onvolprezen Drs. P in het leven is geroepen:

-  acht regels, verdeeld in twee groepjes van vier;
-  alle regels bestaan uit vier lettergrepen, met de klemtonen op de eerste en derde (hiertegen 
   wordt in ons gezelschap veelvuldig gezondigd, maar het is wel elementair);
-  maar de laatste regel van beide kwatrijnen telt slechts drie lettergrepen, met de klemtonen op de
   eerste en derde; 
-  het slotwoord van regel 4 moet rijmen op dat van regel 8.

Tip: neemt u als voorbeeld het klassieke:

‘Uren dagen
maanden jaren
vliegen als een
schaduw heen.

Ach wij vinden
waar wij staren
niets bestendigs
hier beneen.’

… dan hebt u  al een bijna volmaakte ‘spicht’ te pakken. BIJNA volmaakt, want de extra moeilijkheid zit hem in het vijfde en laatste voorschrift:

-  de zesde regel telt niet alleen vier lettergrepen, maar dient ook per se te bestaan uit 1 
   vierlettergrepig woord! Dat is vaak lastig, en dit is dan ook de regel waar verreweg het meest 
   tegen gezondigd wordt, ook ten onzent. Advies van Drs. P zelve: begin met na te denken over zo’n
   vierlettergrepig woord, en maak van daaruit uw spicht.

Wilt u een (technisch) volmaakte spicht: leest u de aanhef er nog eens op na. Of zie de variant op ‘Uren dagen…’ door Drs P:    
 
Uren dagen
maanden jaren
vliegen als een
schaduw heen.
Ambtenaren 
uitgezonderd
geldt die wet voor
iedereen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
Antiballade door Tinus Derks
Ballade van een luiaard door Diny Kim-Roubos
Bond door Maarten Douwe Bredero
Gelukkig door Jan van Laar

Bomenballade door Wim van den Hoonaard
Ballade van de gestolen uren door Herman Posthumus Meyjes

In Baden-Baden moet je wezen! door Cees Leliveld
Schemerzintuig door Joost Golsteyn
Ballade voor de mensheid door Erica Rekers
Pantserkruiser Havenkwartier door Pieter Bas Kempe
Ballade voor het ongewenste kind door © Marianne Sorgedrager
Ballade van een 19e Eeuwse botenbouwer door Nele Holsheimer
Ballade van de graaf de Marchant et d’Ansembourg door Anna Wiersma
De Ballade van de Prince door Niels Klinkenberg
Ballade van een hondenhaatster door Neletta van Heuven

Gedichten zonder vastgesteld thema
De bibliofiel door Neletta van Heuven
Das Gute ist immer da door Michiel van Hunenstijn
Oorzaak & gevolg door Leen de Oude
Jachthaven door Arja Scheffer
Werk in uitvoering….dichten is schrappen..door Dick Smeijers
Modern Life door Astrid Aalderink
Limmerick (2x) door Henry Jansen

Spichtdichten

Kleur bekennen  (semi spicht) door Astrid Aalderink
Mijn fotoalbum door Diny-Kim Roubos
Het vermoedelijke einde door Jan van Laar
Drie spichten door Benne Solinger
Levensloopje door Jos Paardekooper
Spiecht door Wim van den Hoonaard

Anti-ballade

Men zegt dat ik een dichter ben
en vraagt met klem om een ballade,
maar nu verbleekt mijn dichtersgen.
Helaasheid treft mijn zoektocht en
ik lijd geheid aan een blokkade.

Een olbol schud ik uit de mouw,
maar hoe fabriek ik een ballade?
Geen inspiratie, geen know how.
Ik peins mijn hersens bont en blauw.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Een spicht is mij een peuleschil,
maar in verhouding tot ballade
is deze versvorm slechts paskwil.
Mijn faalangst stoort mijn goede wil.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

En villanelle, weer zoiets,
onvergelijkbaar met ballade.
Als rijmwoord kom ik slechts op fiets,
dus mijn ballade, dat wordt niets.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Vraag een sonnet en ik sta klaar.
Zo'n keurslijf mis ik bij ballade.
Met beide handen in het haar
zit ik terneer en ik verklaar:
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Envooi
Beklagenswaardig toon ik mij.
Talentloos ben ik voor ballade.
Hier eindigt dus mijn poëzij.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Tinus Derks

Ballade van een luiaard

En zo begon die koude dag
ver  voor het ochtendgloren,
het bed was warm; een hard gelach
die zoete rust te moeten storen.
Maar ja, er zat niets anders op
dan opstaan en de kou trotseren.
Het viel hem zwaar, maar in zijn kop
dacht hij: ik moet het maar proberen.

De eerste stap was ’t koude zeil
waarop hij moest gaan landen
en het water had bepaald niet ’t peil
om zich er aan te branden.
Het tempo hoe hij alles deed
was voor zijn doen te hoog
--dat meld ik hier  opdat gij weet--
dat het er niet om loog!
Heel dik gekleed ging hij op stap,
hij nam de kuierlatten,
vermande zich, zette zich schrap
om maar geen kou te vatten.

Hij werkte wat, maar o die pijn,
ging hem door merg en been,
hij was aan ’t eind van zijn Latijn,
waar moest hij er mee heen?

De dokter constateerde vlug,
uw  neus en oren zijn bevroren,
kom met drie weken maar eens terug,
--mocht dit advies u niet bekoren—
dan waarschuw ik met  klem:
“een ander lot zij u beschoren”,
als u niet luistert naar mijn stem.
“Er is slechts één ding dat u redt,
de warmte van uw eigen bed”.

En voor zover het mogelijk was
ging hij verblijd naar huis
met in zijn hoofd het mooiste lied
“mijn bed wordt nu mijn  thuis!”,
En werken is voor mij taboe,
wat  wil ik nu nog meer;
voorlopig word ik ook niet moe
en dank de lieve heer.

Diny Kim-Roubos

Bond

Weet nu weer hoe het stuit
een drang om voor óp te blijven
naar die krochten van het kruis

voor dat duister zonder knevel
door adem warm als nevel

Een streling langs gebogen huid
onder haren smachtend golvend nat
ogen draaiend in dempend geruis

door adem kil als nevel
vóór dat licht zonder knevel

geklater van een heldere lach
vroeg in de morgen bij
het krieken van de dag

eerder was het zó gewoon
en wisten wij niet anders nu
alleen nog in gedane droom

Maarten Douwe Bredero


(retroperspectief op toneelvoorstelling 'Scenes uit een huwelijk'
in de Amsterdamse Stadsschouwburg op 2 november 2014).

Gelukkig (Ballade)

Gelukkig ben ik,
zij en ik zijn buren,
nooit zal mij dat storen;
zelfs vanachter muren
kan ze mij bekoren.
Wanneer zal ik mogen
koesteren haar oren,
staren in haar ogen?

Gelukkig ben ik
als ik haar mag groeten,
maar haar wilde haren
en nerveuze voeten
duiden op gevaren:
word ik soms bedrogen?
Ik kom tot bedaren
met betraande ogen.

Gelukkig ben ik,
stápel op haar grollen
en haar capriolen
als ze loopt te dollen.
Wij zijn tegenpolen:
zo kan ík bevlogen
luist’tren naar violen
met gesloten ogen.

Prins, luister toch, ik heb je niet belogen,
gelukkig ben ik, maar helaas met mate,
gelukkig ben ik, maar zal mij dat baten?
Mij rest haar te veroveren naar vermogen.

Jan van Laar

Bomenballade

Een boom heeft wel iets treurigs
al denk je soms van niet,
hoe hoopvol en veelkleurig
groeit elke nieuwe spriet
die tak wordt en dan kraken gaat
en blad verliezend kaal
soms ontworteld weerloos wankel staat
als in een triest verhaal.

Dat wij bomen medeplichtig maken
aan amoureuze en amourloze zaken
die gekerfd staan in zijn bast;
initialen, kogelgaten, opgepast!
Want een boom die alles ziet,
eeuwen verleden heeft te dragen,
je kunt hem alles vragen,
maar een antwoord geeft hij niet.

Je gebruikt een boom om tegen te botsen
of je manlijke urine te horen klotsen,
je kunt hem onthouten voor bruikbare bouwsels
of als brandhout voor diverse brouwsels,
als kind kon je er fijn in klauteren
en speuren naar kabouteren,
vaak geeft beschutting zijn bladerenkroon;
hij heeft zich onmisbaar gemaakt, de boom.

Daar staat-ie dan, de boom,
een gestalte in de coulissen,
waar ‘tussen daad en droom’
tijd zijn bloesem doet bevriezen,
maar zolang wij hem rustig laten
groeien zijn takken naar het licht,
misschien heb je het al in de gaten:
jouw stamboom heeft jou opgericht.

Mijn Boom, Hij weet mijn ziel te helen,
als een god, maar Hij is met zovelen!
Ik weet het, ik uit mij wat onbeholpen,
maar tot hier heeft de Boom mij geholpen.

Wim van den Hoonaard

Ballade van de gestolen uren

voor E.R.


Geluk huist in 't gestolen ogenblik
dat ik ontvreemd uit aan mij vreemde tijden.
Ik mik op het uur waarin ik u verstrik
en waaruit ons geheim zich af laat leiden.
Straks zullen onze paden zich wel scheiden,
maar daarvan wil ik nu niet horen.
Eens waren wij zo een uur tezaam, wij beiden;
Geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Het is de kracht waarover ik beschik
die ik aan uw hand, uw stem, uw blik wil wijden
uw leven, en uw innerlijke ik.
Al zou de hele wereld mij vermijden,
ik persevereer en doe geen stap terzijde
–- mij is geen ander lot beschoren,
geen ander lief kan mij nog ooit verleiden –-
Geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Tot aan mijn dood, mijn allerlaatste snik,
zal ik tijds straf en wreed regiem bestrijden.
Ik ondermijn en ruk en wroet en wrik
totdat ik weer een uurtje kan bevrijden.
om met u het oude samenzijn te leiden
en alle droefheid in de kiem te smoren.
Hoe zullen onze harten zich verblijden,

want 't geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Prins Onrust, naar wiens luimen ik mij schik,
ik ben een dief van tijd, dat laat zich horen,
maar 'k zing 't gelijke lied als steeds tevoren:
het geluk schuilt in 't gestolen ogenblik!

© Herman Posthumus Meyjes

In Baden-Baden moet je wezen!

Het kan in Baden-Wuertemberg zijn
Of nee…..het is in Baden-Baden!
‘k Heb daar familie in de rechte lijn
Men handelt er in wormen en in maden.
Hun bedrijf ligt gunstig aan een kade
en het gaat die luitjes naar den vleze
ze eten daaglijks kip of karbonade.
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Ballades? Daarvan hebben ze geen kaas gegeten
ze luisteren liever naar een mooie serenade
van dat gerijmel willen ze niets weten!
maar kijken wel graag naar een cavalcade.
Ze zijn niet van de woorden maar de daden!
Al worden kloeke boeken graag door hen gelezen
en ook wel geïllustreerde bladen.
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Ze zorgen ook regelmatig voor sensatie;
Dat verwacht je niet van wormen en maden!
Ze introduceerden een verrassende  traktatie:
Stukjes worm in repen chocolade;
Ze zijn daarvoor met complimenten overladen
Je kon het ook in alle kranten lezen;
Ideetje van de Meisjes van Verkade
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Viel Erfolg voor hen in good old Germany
al is het wel vaak sappelen en pezen.
Een Duitse versie van All in the Family:
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Cees Leliveld

Schemerzintuig

ivoren spasmen
kerstenen de nacht

dat is slapen

het klapwieken
van de geschiedenis
ontregelen

dat is waken

daartussen

ligt een wereld
zonder naam

daartussen
wentelen zich zeeën
rond spartelende vissen

daartussen
spelen vogels percussie
op een sapgroen eiland

en scheppen wij
ongefnuikt en fosforbleek
een dansende ster

Joost Golsteyn

Ballade voor de mensheid

leven versus willen


Een mens vormt zich binnen afgesproken regels
een leven liefst geheel bekend
dat zich veelal afspeelt tussen stenen, op tegels
en omdat gewoonte gewend
binnen lijntjes kleuren was altijd al de trend
maar zou men dit ook kunnen betreuren
want leven oh leven waar vind ik nog jouw talent
wanneer een mens zich slechts vormt binnen afgesproken regels

zo anders dan die vis in het water vloeit
die, kom hoe heet hij ook al weer
die groter in een gegeven ruimte groeit
wanneer hem die gegeven wordt keer op keer
wat is het dat ik als mens hieruit leer
wat laat die kracht van herhalen gebeuren
zo dalen vervlogen dromen neer
naast een mens die zich vormt binnen afgesproken regels

loopt het niet overwogen levenspad
waar leven leidt tot onbekende wegen
licht en kleurrijk en samen met Dat
waar het continent ontstegen
door hoog in de vlucht aaneen diep in de duik geregen
ervaringen de schepping opfleuren
maar leven blijft die nabijgelegen kans
wanneer een mens zich slechts vormt binnen afgesproken regels

Prins Leven wiens grillen uitgedeeld als zegels
terwijl Liefde hoofd, hart en buik laat scheuren
opent de mensheid nog ongekende deuren
wanneer een mens zich ook vormen gaat/laat/mag buiten afgesproken regels.
                             
Erica Rekers

Pantserkruiser Havenkwartier

of een Spichtige Balade door Deventer Wateren

Zwarte Silo houdt van Pothoofd,
aan de overkant der baan:
die gepunte oorlogsscheepsboeg
zoekt een vredesduifbestaan.

Om de ware te bereiken
in ’t bestaan van alledag
hijst de Silo, noodgedreven,
laatstenmaals de oorlogsvlag:

stoomt het zo vertrouwd kwartier uit,
kiest het vrije, klieft de hef…
Verkeerslogistiekonvriend’lijk
weliswaar, doch welk een lef !

Binnenwater eens verlaten
wordt de IJssel opgekoerst,
alwaar Silo l’Amoroso,
géenszins bleu dan wel omfloerst,

ferm de steven’t oosten toewendt
en bezegelt liefdes pact:
Pothoofd, o zo teerbeminde,
midscheeps op de bek gepakt!
Intens zeekoortsig verzaligd
volgt verzadigd rechtsomkeert:
langs getoeter, hefruïne,
kaairumoer wordt aangemeerd,

waarna Silo fluks die vlag strijkt
en de vrede hijst in top,
zonder enig plannensmeden
voor nògmaals het ruime sop.

Zwarte Silo houdt van Pothoofd,
zo weet nu heel Deventer:
door die waterkuieringen
des te liefdeslevender!
(Ballade: Frans voor kuiering, of ommetje)

Pieter Bas Kempe

(met dank aan Bertolt Brecht, Kurt Weill, Cees Buddingh’, Dalida en Anneke Grönloh)

Ballade voor het ongewenste kind

Hij was nog niet geboren maar al ongewenst
hij leek gezond maar huilde dagelijks veel:
wat moet een peuter, nauwelijks nog mens,
tegen een kille muur van onbegrip en afkeer.

Wat hij ook deed of juist ook liet, het deugde niet,
hij werd beschimpt, bestraft en kreeg vaak slaag
de kleuter werd een lastpost door zoveel kritiek,
hij huilde nooit, maar zweeg, zon soms op wraak -

Hij ging naar school en leerde graag en snel
het was er veilig, stil en warm, hij deed zijn best:
de meester was tevreden, prees hem somtijds wel
maar eiste van hem meer dan van de rest.

Thuis hoonden ze hem voortaan des te meer:
wist hij zoveel, stom jong, wat dacht hij wel,
een bolleboos? - Het was wéér helemaal verkeerd
hij bleef het lastig kind, brutaal en ongewenst.

Het joch werd ondanks alle tegenwerking groot
en groeide eenzaam tegen de verdrukking in
al wenste hij zich soms maar liever dood,
hij zette door en zocht naar wezenlijke zin.

Hij droomde eens van kinderen zonder thuis,
hun ouders waren dood of blijvend ziek:
daar moest hij wat aan doen, dat daagde uit -
als antwoord hoorde hij opeens muziek.

Het zong in hem, hij had een zinvol doel
het gaf hem kracht, hij wist zich slim èn sterk,
hij straalde licht; het werd zijn ouders nu genoeg:
die vent, hun zoon, leek duivels: hij was gèk.

Maar hij kocht van zijn spaargeld een stuk grond,
ging eigenhandig met volharding aan het werk
tot er een huis met heel veel kamers stond,
een grasveld achter, vóór een rozenperk.

Hij kon er nu gaan wonen, eindelijk echt onderdak –  
er was geen afscheid toen hij blij vertrok,
nog immer was hij ongewenst en met gemak
deed men gewoon alsof hij niet bestond.

Een bed, een kast, een tafel en een stoel
was alle huisraad die hij nodig had
nog nooit was hij zo rijk voor zijn gevoel,
ten slotte veilig sliep hij tot de nieuwe dag.
Die morgen leek het huis met kinderen gevuld
hun lachen, stoeien, spelen, druk gepraat,
en vielen er soms tranen, hij zou met geduld
hen troosten, verhaaltjes vertellen voor hun slaap.

Maar . . .  de volgende nacht was er vreemd gedruis:
gemorrel bij het raam, een prikkelende geur
drong onweerstaanbaar door het hele huis
ook tussen de lijst van zijn slaapkamerdeur.

Geknetter van vlammen, laaiend vuur -
het was niet alleen zijn droom die opging in rook.
Hij was beschaamd en verlegen met zijn figuur
toen hij zijn weg vond naar de hemelpoort.

Wijd open ging de deur, er klonk een warme stem
vanuit een gulden gloed, betoverend mystiek
‘Treed binnen en wees welkom, gij geliefde mens’ -
er was applaus en toen recht hemelse muziek.

© Marianne Sorgedrager

Ballade van een 19e Eeuwse botenbouwer

"Vlotters" uit Beieren en 't Zwarte Woud
dreven vlotten van boomstammen over
Donau, Rijn en Lek, heipalen van hout,
waarop stadshuizen werden gebouwd
in de delta van water en moeras...

Mijn overgrootvader van vaderskant,
reisde, toen hij amper twintig was,
in achttienhonderddrieenvijftig,
met de vlotters naar het oosten,
uit het deltaland stroomopwaarts.

Willem Kors A., scheepstimmerman,
kwam in Hongarije in Boedapest aan,
vond op een scheepswerf arbeid,
leerde duits voor 10 cent per week
en droomde zijn droom van vrijheid,

waarover hij sprak met een jonge vrouw,
"...een eigen botenwerf",en ook al kon zij
hem niet goed verstaan, trouw keken
haar ogen hem aan. Zij is meegegaan
naar dat land van water en moeras...

Samen reisden ze moedig stroomafwaarts
langs Donau en Rijn en aan de oever
van de Lek, waar nog overvloedig
zalmen zwommen, is hij begonnen
met het bouwen van zalmschouwen.

Haar overvielen de vreemde taal en de
rivier, die met eb en vloed soms bijna
binnenkwam, dan was het goed, dat
hij haar lachend in zijn armen nam,
in dat land van wolken, wind en zon.

Zo zeilde hun boot op goed geluk
door lente, zomer, herfst en winter.
Zij kregen gezonde zonen, tot bij
het derde kind de dood haar heeft
genomen en duisternis zijn hart.

Hij brulde tegen de storm haar naam,
de storm scheurde hem aan flarden,
"mijn boot zal zonder jou vergaan"...
Door de rusteloze delta, door regen
en tegenwind, zeilden zijn zonen
        zijn boten voort...

Nele Holsheimer

Ballade van de graaf de Marchant et d’Ansembourg

Als hij berooid was, leefde hij op grote voet.
‘Een boom kwijnt weg, als hij niet groeit naar eigen aard’.
Talent en vrijheid was zijn grootste goed.
Fotografie, muziek, ’t was hem het meeste waard.
Hij leefde groot, hij zag de zon.
De man, bij wie echt alles kon.

Kosmopoliet was hij, die woonde te Lausanne, Praag, Rome,
in Schinnen, Bangkok, Zeist en in de Pijp te Amsterdam.
Van al het schone in Italië, bleef hij dromen.
Toch kon hij ’t leven nemen, zoals het kwam.
De man, bij wie echt alles kon.

De voordeur altijd op een kier,
voor jong talent of grote naam, als hij er was.
Hij leefde vrijuit, in het nu en hier.
Hij was de beste van de klas.
Of hij verloor, of dat hij won,
hij bleef de man, bij wie echt alles kon.

De Erardvleugel liet hij zelf, zelden klinken.
Hij vond zichzelf veel beter met de camera.
In schone klanken, kon hij wel verdrinken,
de beste Franse kazen en wijn, serveerde hij hierna.
In beide kunsten, school de zon.
Voor deze man, bij wie echt alles kon.

Toen kwam de tijd met zijn geliefde, Dominique.
Zijn naam en passie (nog) door te kunnen geven,
dat was zijn hoop en wens, maar ’t was te laat.
De man die alles kon, bleek ongeneeslijk ziek.
Prince, zeer bijzonder mens en man, die durfde leven.

Anna Wiersma

De Ballade van de Prince

Luistert allen! Hoort hoe Willem
destijds aan zijn einde kwam;
hoe een onverlaat uit Frankrijk
schietend hem het leven nam!

Het was de tijd der Spaanse furie,
van beleg en van de pest,
toen – in Dillenburg geboren –
de Prince reisde richting west.

Willem huwt in al die jaren
vier keer, tactisch, een chérie:
eerst twee Anna’s , dan Charlotte
en tot slot met Colligny.

Wim was vriend van onze keizer:
Karel vijf. Maar ontevree,
was hij later, met de koning
van Hispanje, Phillips II.

En met Alva raakte Willem,
nádat hij zich eerst nog schikt,
als de Prince van Oranje,
regelmatig in conflict.

Vrienden heeft hij, maar ook velen
die hem haten als de pest:
katholieken, protestanten,
hugenoten en de rest.

Daarom kwam van Spaanse zijde
een plakkaat dat wijzend zei:
“Deze Prince van Oranje
Is van nu af vogelvrij!”

En dat heeft de Prins geweten:
velen wensten hem de dood.
Hij ontsnapt aan aanslagplegers
meestal maar ternauwernood.

Een Franse man -  nu wordt het ernstig - ,
Trekt zijn wapen, onbevreesd,
En de Prince van Oranje
Is er dan toch echt geweest.

De kogelgaten, ach u kent ze,
Getuigen van zijn ernstig wee.
Daar in Delft sprak hij de woorden:
« Dieu, mon Dieu! Ayez pitié….! »

Triest voor hem. En voor zijn liefje
was het drama daar compleet:
weduwe, was –plots- Louise;
voortaan in het zwart gekleed…

Maar wat ginder met die Gerards,
met die Balthasar geschiedt,
U, mijn waarde landgenoten
kent zijn droevig lot echt niet.

Als u sterk bent, en niet flauw valt
bij een bloedig tafereel,
lees dan verder, maar ik waarschuw:
het grijpt u vast straks naar de keel!

Na een wilde achtervolging
ergens in een Delftse straat,
vangt men hem, die Franse Gerards;
Balthasar, de onverlaat.

En de rechtbank, middeleeuws nog,
wil hem niet alleen slechts dood,
maar het vonnis is heel heftig:
straten kleuren daardoor rood:

Eerst de hand die het schot loste:
deze moet eraf, heel wreed:
met een tang knijpt men die hand af;
de tang is – echt waar – gloeiend heet.

“Dan,” zo vervolgt de rechter,
-opdat ú het echt begrijpt -
“gebruikt men weer die hete tang
waarmee men Gerards’ vlees afknijpt

tot op het bot.” Het sissend vlees
Geeft wat meer dramatiek,
En dat is waar men toch voor komt,
Dat middeleeuws publiek.

Dan snel vier paarden opgesteld,
de touwen vast gemaakt;
de zweep en dan:  Hop in galop,
totdat het bot echt kraakt,

en Balthasar, ééns een geheel,
door toedoen van vier dieren:
hij ligt gespleten op de grond.
Opeens is hij in vieren!

De rechter zegt: “nu, luistert beul,
ook als het u benart:
pak uw mes en snij gezwind
uit zijn lijf, diens hart,

en smijt dit dan met al uw kracht
in Balthazar’s gelaat,
opdat hij dan de ernst beseft
van zijn euveldaad.”

En daarna - want hij moet echt dood –
moet Balthazar onthoofd;
dat heeft de Rechter immers aan
het Hollands volk beloofd.

Vier ‘leden’ worden dan getoond,
zoals dat immers hoort,
bij Ketel-, Haag- en Oost- en bij de
Waterslootsepoort.

En vóór het huis van wijlen Wim
-Louise tot vermaak-
staat dan het hoofd van Balthazar
gespiest op houten staak.

Wat later steelt een priester dan
het hoofd, om mee te zeulen
als een trofee naar het paleis
der bisschop, daar in Keulen.
---------------------------------------------
Wat leert ons dit, geacht publiek?
Wat is van dit de les?
Wellicht dat dit de lering was
voor mensen van IS!

Niels Klinkenberg

Ballade van een hondenhaatster

Hoe komt het toch dat mensen honden willen
Die zucht naar hondjelief is blijkbaar niet te stillen
Egypte werd geteisterd door de sprinkhaanplaag
De Middeleeuwse pest heeft half Europa weggevaagd
Wij vrezen nu ebola en bestrijden fluks de vogelpest
F 16’s, onze jongens, knallen fanatieke moslims neer
En onze echte zwarte Pieterknecht bestaat niet meer
Maar wie maakt zich druk om huizenhoge hondenmest

Waar komt het toch vandaan die dolle hondenhype
Hondenvrienden praten zelfs met hondje via Skype
En menig hondenechtpaar werd verliefd At First Bite
Door hun hondje uit te laten, effectiever dan de datingsite
Een hondje op of aan de arm is even trendy als een Gucci-tas
Het schatteboutje hip gekleed mag baasje innig zoenen
Op de rode mond, de gekte staat nog in de kinderschoenen
Ik voel mij eenzaam in mijn afkeer van het hondenras

Ooit werd ik door een grote herdershond gebeten
Ik aaide slechts heel lief, toch werd het mij verweten
Mijn arm werd wreed geïnjecteerd met tetanus
Hondjelief werd teder op zijn vieze bek gekust

Vergezelde ik mijn pa, huisarts, bij thuisbezoeken
Belaagd door keffers op ‘t erf, hoorde ik hem vloeken
Eens bezocht hij chique dame voor inwendig onderzoek
Haar Chiwawa beet hem telkenmale in zijn broek
Toen keilde hij het beest over haar glanzende parket
Haar schat belandde keurig onder het antieke kabinet
Mijn pa was klaar met haar en groette ook de hond beleefd
Zij snelde ijlings naar haar stille schat, … die bleek gesneefd.

Ik werd volwassen en verliefd op man met … honden
Die honden mochten nota bene slapen op zijn sponde
Ben schielijk onder zijn behaarde dekens weggegleden
Maar voelde mij terstond van alle kanten fiks bereden
Onverdraaglijk ook de stank, de kwijl,  de natte snuiten
Ik vloog het bed uit, rende in m’n blootje snel naar buiten
Hij mij achterna, berispte boos, wat doe jij  dwaas en zuur
Zij zijn mijn dierbare kroost, ’t is immers hun natuur!
Even later gleed ik met mijn tas in donker uit over zijn stoep
En nog wat later reed ik in mijn Saab en rook het: hondenpoep

Laatst zag ik lopen een schoothond met zijn vrouwtje
Zo te zien: haar laatste passie aan een touwtje
Een manlijk wezen eindelijk getemd is veilig strelen
En thuis kan hondje lief met poesje spelen
Nee, nee, ’t is niet wat u nu denkt, kom aan
Dat heeft haar hondje echt nog nooit gedaan!

Ik was net komen wonen aan de Nieuwe Markt
En had mijn kleine voortuin keurig aangeharkt
Toen buurvrouw acte de presence kwam geven
Naast haar kwispelden twee jonge tekkel-teven
Handen net geschud piste teefje vol over mijn schoen
Riep zij verbluft: dat heb ik onze schat nog nooit zien doen

Onlangs lag er weer een verse drol pal voor mijn hek
Ik kon er niet meer tegen, dit werd mij echt te gek
De zoveelste hoop stront, ik raakte buiten zinnen
Het was nu hond of ik, ik  móest wel iets verzinnen

Nu weken later is geen hond meer te bekennen
Dat is ook weer vreemd, voor de buurt is ‘t even wennen
‘Buurman’, vroeg ik vals, ‘waar is ’t mondaine hondenvolk gebleven?’
‘Alle honden dood gevonden, baasjes zijn in quarantaine, op Brinkgreve’

Tja, ik beken, hier, ‘k heb op alle hondendrollen rattengif gestrooid
Ik zweer het op mijn blauwe ogen, anders doe ik zoiets, … nooit.

Neletta van Heuven

De bibliofiel

Villanelle op Das Gute ist immer da

Kent u de bibliofiel, een uitgestorven ras, weldra
In Deventer zie je dit vreemde volkje nu nog lopen
Altijd in de richting van  Das Gute ist immer da.

Dit volk is vredelievend en komt niemand ooit te na
Stil en tevreden, zodra ze hun geliefde boekje kopen
Bij voorkeur in Jan’s eigen Das Gute ist ja immer da.

Minstens een boek per week, wie doet hen dat nog na
Iedereen wil chatten, app-en, skypen, twitteren, bezopen
bezigheden, de bibliofiel … een uitgestorven ras weldra

Steeds vaker zoeken zij vertroosting bij elkaar en ja,
Dan lezen zij elkaar bezield gedichten voor, zo hopen
En geloven zij opnieuw: Das Gute ist noch immer da.

Liefst urenlang verblijven in de stille en serene pijpenla
Vol échte boeken, of …  dromerig langs trage IJssel lopen
De bibliofiel sterft uit, loopt nergens meer, weldra

Laatst in de maneschijn, zij kwam de IJsselkade krap te na
Er was een eind gekomen aan haar kopen en haar hopen
Verlangend naar iets hogers heeft zij zich bewust verzopen
Eind’lijk rust gevonden in …  Das Gute …  jénseits immer da.

Neletta van Heuven

In het kader van de dichtwedstrijd voor het antiquariaat 'Das Gute ist immer Da' te Deventer.

Das Gute ist immer da

 Een grauw busje stopte voor de deur, ik had om een opkoper gevraagd.
'Das Gute ist immer da meneer, aangenaam'. Ik wees hem de bibliotheek.
Hij liet zijn ogen langs de planken gaan. Das Gute ist immer da,
hij moest 'ns weten: ik was in de rouw: vader was net dood.
Alles moest weg, eerste drukken, in leer gebonden reeksen,
ex libris, gesigneerd - eeuwen keken hier op de lezer neer.

De antiquair rook naar tabak, zijn haar vlamde rood.
Hij zei: 'dit is lastig meneer, de markt is slap.
Achterberg, Nijhoff en Gerhardt, wie leest dat nog.
De markt vergrijst, gedichten zijn voor oudjes'.
Hij liet de bandjes door zijn handen gaan, bladerde,
ik zag de onderstrepingen, de streepjescodes
van mijn vader, sporen van een bedrukt bestaan.

'Zevenhonderd euro, bent u van die stofnesten af. Wij leveren schoon op'.
Ik keek om, waar de antiquair had gestaan, zweefde nu enkel een rookkolom.
Was dit echt? Das Gute ist immer da. De naam was omineus.
Was het een belofte, een voorspeling, een dreigement?
'Meneer', klonk de stem weer opeens,' boeken, je reinste folklore,
leuk voor een zomerse Deventer Boekenmarkt, langs een
zilverblinkende IJssel, hup, een stolpje eroverheen gezet'.

'Denk erover na meneer'. Hij frommelde wat briefjes uit z'n jas.
Ik tel de briefjes, het zijn er zeven. De antiquair heeft plots haast
en zegt:' das Gute ist immer da, meneer, vroeg of laat,
voor iedereen. Tot uw dienst'. Hij laadt de boeken in
en verdwijnt met zijn busje in de rook.

De lege ruimte klinkt hol en grijnst je aan: de bibliotheek
is nu een kale cel. Je bent alleen. Wat heb je gedaan?
Je schrijft verweesd in het stof: wie dit leest is gek.
Je knikt verslagen: je hebt je eigen tombe geschapen.    

Michiel van Hunenstijn

In het kader van de dichtwedstrijd voor het antiquariaat 'Das Gute ist immer Da' te Deventer.

Oorzaak & gevolg

Ik vond laatst een luisterend oor.
Het lag in een weiland,
was waarschijnlijk van een koe afgevallen.
Het oormerk zat er nog in,
maar daar merkte het oor volgens mij niks van.
Het luisterde alleen maar,
het was echt een heel luisterrijk oor!
Dat vond ik wel plezierig,
want daardoor kon ik mijn verhaal kwijt.
Maar toen ik het eenmaal kwijt was,
kon ik het nergens meer terugvinden.
Ik was het voorgoed kwijt
en dat kwam door het oor.
Het luisterde namelijk erg nauw,
Zó nauw dat ik geen verhaal meer kon halen.
Gek hè?

Leen de Oude

Jachthaven

Een briesje dat langs m’n wangen veegt
dikke lokken opverend in de nazomerlucht
het hoofd vol gedachten, moet geleegd
vanuit het middenrif een gestuwde zucht

Bonkende steigerplanken verstoren even
’t ogenblik van warmte op mijn benen
die zo zeldzaam worden beschenen
zo niet de roestbruine koeienpoten,
weggezakt in ’t slik.

Arja Scheffer

Werk in uitvoering….dichten is schrappen..


Ik wil jongleren
Met woorden in de lucht
Ze hoog houden
Uit alle macht
Woorden die in
Scherven vallen
Zorgvuldig lijmen
En hopen
Dat ik jouw boodschap
Zal  verstaan.

Dick Smeijers

Een wijziging op een eerder gepubliceerd gedicht

Modern life

Wonend in ivoren torens
achter dikke vestingmuren
roept een hart verdwaasd het klopt niet
blijven starre ogen turen.

Zoveel werk om  mee te schermen
achter schermen  je verschuilen
zoveel omhaal, zoveel wartaal
veel te vol om nog te huilen.

Zoveel willen, zoveel moeten
zoveel werk wacht, zoveel angst
maar een vreemd gestold verlangen,
wacht in diepten, wacht het langst.

Binnen muren dolen schimmen
in spelonken, vreemd, verward
zoveel vrienden, zoveel volgers
hoeveel volgers kent het hart ?

Weemoed sijpelt door  de kieren
en voegt water bij de wijn
oude muren zuchten zwijgend
hoeveel vergt het mens te zijn ?

Astrid Aalderink

Limmerick (2x)

zou dat kunnen
te leren die kunst
succesvol schrijven
en bij te blijven
lerend die gave kunst


goed schrijven
is meesterwerk der natuur
maar wees  wijs klinkend
te leren op den duur
in schrijven en talent uit te blinken

Henry Jansen

(i.v.m. boek 'Succesvol schrijven' van Barbara Pease uit de bibliotheek)

Kleur bekennen (semi spicht)

Rode, blauwe
geelgeruite
groengestreepte
in ’t verschiet.

Zachtoranje
pimpelpaarse
en ze heten
allen “Piet”.

Negerzoenen
zijn verdwenen
zoenen sieren
slechts ’t schap.

Wat gaat er nog
meer verand’ren ?
‘K hoop dat ik ‘t
nog behap.

Brownies, maar ook
jodenkoeken,
daar komt vast ge-
donder van.

Blanke vla en
bruine suiker,
Witlof ? Ook maar
in de ban !

‘k Pleit voor koffie
met een greenie
en voor paarslof
bij de dis.

Regenboogfo-
rel mag blijven.
Hier rest; “ Boter
bij de vis!”

’t Heerlijk avond-
je gaat komen.
Dat keert toch ge-
lukkig weer.

’t Paard valt te be-
discussiëren.
Maar een bisschop ?
Echt niet meer !

O, wat is het
heerlijk wonen
-al het grauwe
gaat aan kant-

in dit poli-
tiek correcte
multicolor
Nederland.

Astrid Aalderink

Mijn fotoalbum

Fotoalbum
ik bemin je
om de foto’s
die je toont,
want ze laten
overzicht’lijk
zien  waar vroeger
werd gewoond.

Van mijn moeder
en mijn vader
wie zij waren
liefdevol,
hoe wij kind’ren
ondervonden
zo veel blijdschap
door hun “rol”,

in dit leven
goed te denken
en  te  zijn,
ook voor and’ren
onvoorwaard’lijk
ook al waren
we nog klein.

En al blad’rend
door jouw foto’s
krijg ik dan dat
fijn gevoel,
want ze tonen
overduid’lijk
alles aan wat
ik bedoel.

‘k Sluit nu album
en ga verder
met hetgeen wat
jij weer bood,
dankbaar dat ik
herbeleefde
kind te zijn, want
‘k ben nu “groot”.

Diny Kim-Roubos

Het vermoedelijke einde

Sinterklaasje
kom maar binnen,
hou je rug ook
dit jaar recht,
neem toch mee je
zelfgekozen
wit of zwart ge-
verfde knecht.

Makkers van de
lage landen,
staak nou toch je
wild geraas,
vier dit jaar het
hoogstwaarschijnlijk
laatste feest van
Sinterklaas.

Jan van Laar

Drie spichten

Wat ik lust
Rijstepap met
suikerstroop is
wat ik lekker
smaakrijk vind.

’s Ochtends vroeg of
middernacht:
‘hap zo heerlijk,
zeer bemind.’

Dichten
Later  en  groot
dicht ik verzen
mooi en sierlijk
wonderschoon.

Leven lang van
schrijfschrappen
‘k lijk nu nog wel
‘n Allochtoon.

Luieren
Zon, zee, bergen
tompoes en ijs
 speelfilm, boeken
snack,  drank, water.

Heerlijk niks doen
overfijn
‘k ben geen zwijn en
ook geen kater.

Benne Solinger