donderdag 27 november 2014

Ballade van een hondenhaatster

Hoe komt het toch dat mensen honden willen
Die zucht naar hondjelief is blijkbaar niet te stillen
Egypte werd geteisterd door de sprinkhaanplaag
De Middeleeuwse pest heeft half Europa weggevaagd
Wij vrezen nu ebola en bestrijden fluks de vogelpest
F 16’s, onze jongens, knallen fanatieke moslims neer
En onze echte zwarte Pieterknecht bestaat niet meer
Maar wie maakt zich druk om huizenhoge hondenmest

Waar komt het toch vandaan die dolle hondenhype
Hondenvrienden praten zelfs met hondje via Skype
En menig hondenechtpaar werd verliefd At First Bite
Door hun hondje uit te laten, effectiever dan de datingsite
Een hondje op of aan de arm is even trendy als een Gucci-tas
Het schatteboutje hip gekleed mag baasje innig zoenen
Op de rode mond, de gekte staat nog in de kinderschoenen
Ik voel mij eenzaam in mijn afkeer van het hondenras

Ooit werd ik door een grote herdershond gebeten
Ik aaide slechts heel lief, toch werd het mij verweten
Mijn arm werd wreed geïnjecteerd met tetanus
Hondjelief werd teder op zijn vieze bek gekust

Vergezelde ik mijn pa, huisarts, bij thuisbezoeken
Belaagd door keffers op ‘t erf, hoorde ik hem vloeken
Eens bezocht hij chique dame voor inwendig onderzoek
Haar Chiwawa beet hem telkenmale in zijn broek
Toen keilde hij het beest over haar glanzende parket
Haar schat belandde keurig onder het antieke kabinet
Mijn pa was klaar met haar en groette ook de hond beleefd
Zij snelde ijlings naar haar stille schat, … die bleek gesneefd.

Ik werd volwassen en verliefd op man met … honden
Die honden mochten nota bene slapen op zijn sponde
Ben schielijk onder zijn behaarde dekens weggegleden
Maar voelde mij terstond van alle kanten fiks bereden
Onverdraaglijk ook de stank, de kwijl,  de natte snuiten
Ik vloog het bed uit, rende in m’n blootje snel naar buiten
Hij mij achterna, berispte boos, wat doe jij  dwaas en zuur
Zij zijn mijn dierbare kroost, ’t is immers hun natuur!
Even later gleed ik met mijn tas in donker uit over zijn stoep
En nog wat later reed ik in mijn Saab en rook het: hondenpoep

Laatst zag ik lopen een schoothond met zijn vrouwtje
Zo te zien: haar laatste passie aan een touwtje
Een manlijk wezen eindelijk getemd is veilig strelen
En thuis kan hondje lief met poesje spelen
Nee, nee, ’t is niet wat u nu denkt, kom aan
Dat heeft haar hondje echt nog nooit gedaan!

Ik was net komen wonen aan de Nieuwe Markt
En had mijn kleine voortuin keurig aangeharkt
Toen buurvrouw acte de presence kwam geven
Naast haar kwispelden twee jonge tekkel-teven
Handen net geschud piste teefje vol over mijn schoen
Riep zij verbluft: dat heb ik onze schat nog nooit zien doen

Onlangs lag er weer een verse drol pal voor mijn hek
Ik kon er niet meer tegen, dit werd mij echt te gek
De zoveelste hoop stront, ik raakte buiten zinnen
Het was nu hond of ik, ik  móest wel iets verzinnen

Nu weken later is geen hond meer te bekennen
Dat is ook weer vreemd, voor de buurt is ‘t even wennen
‘Buurman’, vroeg ik vals, ‘waar is ’t mondaine hondenvolk gebleven?’
‘Alle honden dood gevonden, baasjes zijn in quarantaine, op Brinkgreve’

Tja, ik beken, hier, ‘k heb op alle hondendrollen rattengif gestrooid
Ik zweer het op mijn blauwe ogen, anders doe ik zoiets, … nooit.

Neletta van Heuven

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.