donderdag 31 december 2015

Dichterscafé december 2015

Dichterscafé december 2015 - Onderwerp:
Sonnet ‘Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag’

Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag 
De dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken 
Altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken, 
Doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht, bij dag,

Onachterhaalbre Tijd, wiens hete honger graag 
Verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken
En keert en wendt en stort Staten en Koninkrijken; 
Voor iedereen te snel, hoe valt gij mij zo traag?

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijve ik met mishagen
De schoorvoetige Tijd, en tob de lange dagen 
Met arbeid avondwaarts; uw afzijn valt te bang. 

En mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen. 
Maar ‘t schijnt verlangen daar zijn naam af heeft gekregen, 
Dat ik de Tijd die ik verkorten wil, verlang.

P.C. Hooft

Opgedragen aan zijn afwezige verloofde Christina van Erp, 
met wie hij 3 maanden later in 1610 in het huwelijk zou treden.

Hierboven het hedendaagse gedicht, het origineel is op het internet na te lezen.
http://www.dbnl.org/tekst/hoof001ptuy02_01/hoof001ptuy02_01_0026.php


Gedichten van deze bijeenkomst:


Gedichten op het thema
Uitgesteld verlangen door Tinus Derks
De avond valt door Cees Leliveld
Deeltijd door Lotte de Waard
Complottheorie door Wim van den Hoonaard
Klinkdicht voor een idealist door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Ik heb de dagen door Alex Gentjes
Tijd zonder tijd door Nele Holsheimer
Tijd door Dick Smeijers
TijdGod door Violet Asseruit Mane
Solid Lava door Maarten Douwe Bredero
Verschiet door Sieth Delhaas
Voor Maria door Michiel van Hunenstijn


Gedichten zonder vastgesteld thema
Bij een tekening van Henk Cornelder door Pieter Bas Kempe
Het geluk smeden door Jan van Laar
Maandagavond door José Hattink-Blom
Niets is wat het lijkt door Astrid Aalderink
Kerst 2015 door Benne Solinger
De ommekeer door Martin Brinkman



Voor de bijeenkomst van 26 januari 2016 kunt u zich laten inspireren door  

'Turner en/of het sublieme'
Dit thema is ingebracht door Jos Paardekooper.

Graag tot dan, namens Herman, Jos en Arja!


Opmerking:

Vanaf heden treed ik, Arja Scheffer, af als 'bestuurslid', maar blijf wel tot het gezelschap van dichters horen.
Tot we iemand hebben gevonden die het Blog wil bijhouden, kan het zijn dat het Blog enige achterstand oploopt.
Het was me een genoegen deel te hebben mogen uitmaken van het bestuur en evenzo de daarbij behorende werkzaamheden voor het Dichterscafé te hebben mogen verrichten.
In april neem ik, net als Herman Posthumus Meyjes officieel afscheid.

Gelukkig blijft men mij gewoon, zij het in een andere hoedanigheid, zien tijdens de bijeenkomsten iedere laatste dinsdag van de maand.

Vanaf januari is de samenstelling van het bestuur als volgt:

Herman Posthumus Meyjes (tot april)
Jos Paardekooper
Cees Leliveld
Tinus Derks

Uitgesteld Verlangen

Ik had van alles geprobeerd
om in jouw blikveld te komen.
Wat ik ook deed, het viel verkeerd;
ik mocht slechts van je dromen.

Ik hing gedichten voor je raam,
bestookte je met bloemen.
Eens schreef ik in de sneeuw je naam,
toen ik je op zag doemen.

Ten langen leste zong ik maar
een liedje van verlangen.
Je oren bleken dat zowaar
probleemloos op te vangen.

Je glimlach toonde me al snel
wat je van mij verwachtte.
Jij maakte met ons minnespel
een einde aan mijn smachten.

Tinus Derks

De avond valt …

Hoezo: de avond ‘’valt’’…?
Heb jij de ochtend ooit zien ‘’vallen’’?
Of de middag soms? Nou dan!
Goed, hij zal een keer gevallen zijn
toen hij je onverwachts besprong
vanuit het donker wordend struikgewas…
Hoewel, dat was in de druilerige herfst.
Want ’s zomers komt hij glimlachend
aangeslopen en legt zijn lichtgrijze
zomermantel luchtig om je schouders.
Je merkt het nauwelijks.
Maar ’s winters?
Dan is het echt een overval!
De middag trekt zich schielijk terug
uit angst voor een verkrachting
door deze bruut, die ook
zijn slechte vrienden meeneemt:
de gluiperige mist, ijskoude regen
die op de grond bevriest.
Ja, val dan maar en breek je nek!
Val dood.

Cees Leliveld

Deeltijd

Eeuwige student leert
Het is voltijds deeltijd
Deel dus de hele tijd
Nu, er is tijd genoeg
In deze Volkomen Tegenwoordige
Tijd om te delen

De tijdeenheid verstopt zich in tijdsdelen
Enkel de waarneming staat nog verkeerd om
Binnenstebuiten, achterstevoren
In deze van tijd tot tijdloze ruimte
Is Eenheid al het noodzakelijk besef

Zet de perceptie in perspectief
Zo hier zo daar
Zo nu zo altijd
Enzovoorwaarts
Nog onvoltooid
De eenheidsdeeltijd in
Deel de eenheid
Die wordt heelheid

En tussentijdigheid wordt mooi
En tijdsverlangen stopt

© Lotte de Waard

Complottheorie

Eeuwig en even
zitten in ’t complot
met de sleutel in het slot
van de deur naar het leven.

Wim van den Hoonaard

Klinkdicht voor een idealist

Gezwinde grijsaard die zich, hoewel al trager
toch wil haasten en eens te meer het dichten
niet kan laten, voorzeker niet wanneer
het uur van dreigend onheil is geslagen -

Nog dwingt hij daags zijn pen tot spreken
met woorden van protest tegen het onrecht
en de dwaze daden van mensen zonder hart
wijl hij nu juist genegenheid wil laten heersen

Een beter wereld lijkt nog niet gekomen
en alle tijd verstrijkt zo snel, de oude schrijver
verwijlt nochtans volhardend bij zijn dromen

Ofschoon doodmoe, weet hij niet van versagen
totdat plotsklaps het lot zijn hartstocht overmant -
zijn pen zingt voort langs alle wegen die hij baande.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Ik heb de dagen

Ik heb de dagen aan de takken te drogen gehangen
Dat kan, nu het herfst is, wel zeven maanden duren
Ik heb, nu gij weg zijt gegaan, getafeld met uw uren
En ze zeiden dat ze zonder u nog nooit waren vervangen

En ze verslikten zichzelf in avontuurlijke gezangen
Gij weet waarschijnlijk wel dat ik voor heter vuren
Heb gestaan, toch konden zij niet lang meer duren
Zij werden wijs van onuitputtelijk verlangen

Zo hebben wij, sinds gij weg zijt gegaan, geen reden
Om te blijven, uw dagen vallen langzaam naar beneden
Gij hebt geen een idee hoe lang mijn lid nog kan verstijven

En weet dat, wanneer gij terug zult zijn gegaan
Wij hier niet langer in het licht kunnen gaan staan
En wij van voren af aan dit gedicht zullen herschrijven

© Alex Gentjens

Tijd zonder tijd

O,hoofd, wat doe je met de tijd?
O,tijd, wat doe je met mijn hoofd?
Een tijdreiziger is mijn geest, mijn
vingers tasten langs de groeven
van de oude tekens, die ik vond
verborgen onder gras, als
vraagtekens naar de tijd, naar dag
en nacht en het geheim van de zon;
met steen in steen geslepen,
cirkelend vanuit één middelpunt.

Dit ben ik, dit is mijn leven.
Grijs werd mijn haar op reis met
de tijd, die mijn waarneming ontglipte
in voordurende beweging.

De tijd gaat haastig voor mij uit,
Ik roep, meneer,
kunt u niet even op mij wachten?
Waarom toch die voortvluchtigheid,
hebt u geen tijd voor mijn gedachten?
Bij verveling en in slapeloze nachten
staat u bijna stil, nu lijkt u op de vlucht.
Waar gaat u heen, u sleurt mij mee.
Maak niet mijn haar nog grijzer.
Dan kijkt hij achterom en zie ik
een pendule zonder wijzer.

Nele Holsheimer



Tijd

gedachten vliegen als op vleugels
gaan op reis zonder bagage
blijven hangen in mijn ziel.
ik koester en verhaal ze,
geef ze ruimte om te wonen.
met de warmte van de woorden
wordt verwachting opgewekt.
op de grens van tijd en ruimte
waar de schaduw langer wordt
is mijn blik nu helder
zonneklaar en helemaal gericht
op woorden die gaan komen,
die gaan dagen,
op hun eigen tijd
in het nieuwe jaar!

Dick Smeijers

TijdGod

Tijd die ons verlaat
Verstrijkt nu door mij heen

Oh, TijdGod dijt in het water
Schuimbekkend kijkt het daar

De belletjes worden geprikt
Dat gebeurd nu en niet later

Illusies ontvluchten zich een weg
De droom is vals, ben ik echt

Ik wentel mij door de draaikolk
En zie vliegensvlugge golven

Zij deinzen niet terug maar kolken
Het stijgt boven mij uit naar de wolken

©  Violet Asseruit Mane

Solid Lava

ooit was ik zo wild
golfde met hitte waar ik kwam
bolde vol vuur en in vlam
vlijde me neder, pas na middernacht

nu lig ik hier stil
zonder aangeraakt te zijn
doorsta de tand des tijds;
overleef alles wat vloeit en kilt

mis voor geen snars, dat verlangen
naar omhelzend drammen
aan het eind van de dag

ken geen innerlijke drang
vermijd elk liefdesgezang
ben versteend in onmacht

Maarten Douwe Bredero

Verschiet

Verstrijkt de tijd mij
of doe ik hem verstrijken?
Mijn leven lang al
kom ik tijd te kort

Ik dacht dat het wel beter werd
wanneer ik ouder word
maar tijd hoe schoon ook ingedeeld
door koppen extreem knap

door eeuwen heen partitiërend
verleden en verschiet
delend in punten, sterren, manen
al naar hun gelang

Nooit strookt het met mijn wentelen
mijn driedimensionaal bestaan
buiten berekening van keien
binnen ’s grijsaard tij

Mijn leven is een kenteren
dat ik ’t altijd
red, net, tot ik me aantref
voor een nieuw bestek: de eeuwigheid

Sieth Delhaas

Voor Maria

Ik dacht aan het leven dat ik had kunnen leiden,
maar dat ik niet gekozen heb. Wat is daarmee gebeurd,
wat doet dat nu, is dat nog steeds op zoek naar mij?
En drijft dat nu in het ijle rond, radeloos op zoek?

Wat als ik toen niet links- maar rechtsaf was geslagen?
Waar had ik dan gewoond,
welke vrouw had ik dan ’s avonds gekust?
Wie had ik op straat dan moeten groeten,
waar was dan mijn favoriete kroeg,
waar woonden dan mijn vrienden?
Welke hartstochten zou ik dan belijden?
Aan wiens graven zou ik hebben gestaan?
Zou ik dan een kind of twee hebben gehad,
of zou ik keihard zijn gescheiden?
Met wie zou ik dwepen,
en met wie had ik dan ruzie?
En welke stommiteiten zou ik uithalen.
welke kansen zou ik dan laten liggen?
Wie was ik dan geworden?

Tijd is een balletje in een roulettetafel.
Tijd is een slak en soms Max Verstappen.
Tijd is een willekeur, een variabele,
en geen constante. Er is een keuzemenu,
er is geen keuzemenu - er is, weet ik het -
ik sloeg destijds linksaf, ik wist niet wat ik deed -
ik wist wel wat ik deed: jij moest daar zijn, ergens.

Michiel van Hunenstijn

(bij een tekening van Henk Cornelder)

Als zonnekoning uitgebloeid buig ik mijn hoofd
en werp mijn schaduw over najaarsvelden.
Weg is het goud van trots rijzende helden
die heersten in de vlakte van het zomerlicht.
Al zie ik louter stof en dorte in 't gezicht,
er is een heer die altijd nog in mij gelooft:
zijn doek met leven kleurend vorst van het penseel,
mij juist voorgoed vastleggend met geknakte steel,
mij oproepend tot dragen van een zonloos
toekomstig lot, louter verguld met verfdoos.
Overgeleverd aan de muur buig ik mijn hoofd.

Pieter Bas Kempe

Het geluk smeden

Je weet dat ik trouw ben aan een wat zorgelijke stijl van leven en zowel
gemarkeerde straatjes als opgelegde tempo’s vermijd, maar dat ik de weemoed
- die al gauw schuchter wordt genoemd
- en de hunkering - die kennelijk pijnlijk moet zijn -  achter me probeer te laten om het geluk te kunnen smeden zodra ik zijn warmte voel.
      Je weet hoe ik grove taal uit de weg ga vanwege zijn knellende effect op het
gemoed van mensen zoals ik; hoe ik me erger aan het eindeloze zwerven over
jaarmarkten van luidruchtige stromen jeugdigheid die alle leeftijden met zich
meevoeren.
      Voor jou is het evenmin een geheim dat ik drukke kruispunten, gierende trams
en toeterende taxi’s onverdraaglijk vind; dat ik soms in paniek en met zweet op de
rug een treinkaartje koop om in de betrekkelijke rust van een stiltecoupé te kunnen
opademen.
      Op andere dagen slalom ik op geheel eigen wijze door de stad - zoekend,
vluchtend, sluipend, rennend - en zorg ik ervoor dat ik zelfs het geluid van mijn
voetstappen op de straatstenen niet kan horen. Hoe zou ik anders het geluk dat in
mijn droom is achtergebleven terug kunnen vinden? Hoe dichter ik de stilte nader,
hoe warmer ik me voel.

Jan van Laar

Maandagavond

je had op maandag je kaartclub
bostonneren met je 3 maten
Jo, Jans en Bennie

kaarten werden geschud en gedeeld
8 kijkers flitsen heen en weer
de rekenkamer begon te werken
stemmen speelden een toontje hoger
vuisten sloegen deuken in het blad
vrouwen, boeren en  azen bevolkten de tafel
en centen werden op een hoop geschoven

binnen ontstond een rookgordijn
van Velasques bolknakken
op de verwarming lag een natte spons
de asbak puilde uit, de bandjes waren voor mij
ik zorgde voor  koffie en brandewijn

de klok tikte voort, niemand zei ga naar bed
mijn ogen prikten,
lucifersstokjes hielden ze niet open
maar  ik, ik voelde me de Koning te rijk
een halve eeuw geleden

Annie, mijn moeder
had haar eigen “harten 5”
op maandagavond

het plakboek zit barstensvol
met goudomrande sigarenbandjes
Uiltje, Hofnar, Agio en Willem 11
En Velasques waakt op zolder over mijn schat

José Hattink-Blom

Niets is wat het lijkt

Niets is wat het lijkt, een momentje duurt vaak lang.
Het kleine hondje is erg sterk en de machoman is bang.

Aan de telefoon zo aardig, maar ze trekt een vies gezicht.
Verwacht je zwoele poëzie, volgt er opeens een suf gedicht.

Hoop je dat de tijd vertraagt dan versnellen zich de uren.
En de kortste kassarij blijkt altijd het langst te duren…

Denk je: “Ach, dit doet me niets !”, ben je toch ineens van streek.
En werkelijk twaalf dagen duurt de kinderboekenweek.

Een dun meisje voelt zich dik, de stuurlui staan weer aan de kant.
Zoute drop bevat meer suiker dan de zoete variant.

Niets is wat het lijkt, jij doet niet wat je zegt.
De bloemen op de vaas lijken nep, maar ze zijn echt.

Niets is wat het lijkt, ik roep je achteloos gedag.
Maar mijn hart stroomt bijna over, onweerstaanbaar is je lach !

Ik schreef voor jou een prachtgedicht, morgen ga ik het je geven !
Maar na een nachtje slapen, ach, dan wacht ik toch nog even...

Want stel dat jij dan gillend wegrent of er nauwelijks naar kijkt.
Dan verandert mijn “Er was eens…” in een “Niets is wat het lijkt...”

Astrid Aalderink

Kerst 2015

God zond naar deze wereld,
vol van verdriet en veel geweld:
geen aartsengel Gabriël,
met zijn soldaten,
voedselpakketten
 of advocaten.
Niet met afgedankte engelenkledij,
gevloek, gekift of moordpartij.
Hij zond geen extra geld
en zeker….. geen geweld..

Nee, Hij kwam Zelf,
niet in paleis, kasteel of concerthal,
maar in een kleine dierenstal.
Hij was geen vorst, maar timmerman.
 Honger, ziekte, dood:
Hij wist er alles van.
Genas zieken, deelde brood,
vertelde hoe Zijn Vader is
liet zien hoe prachtig liefde is.

Maar Hij werd niet geloofd,
van eer en vrijheid
hebben ze Hem beroofd
Hij werd geslagen en gehoond
uiteindelijk door mensen
met de dood aan het kruis ‘beloond’.
Ja Hij leed helse pijnen
 werd door God verlaten
en begraven…
Maar
Hij overwon!
Maakte de weg tot God weer vrij,
zowel voor jou als ook voor mij.
Hij werd ons brood
en onze wijn,
steeds zullen wij Hem gedenken,
tot we eens voor altijd
samen zullen zijn!


De ommekeer

gebrandmerkt om in het
schaduwrijk te leven
huil ik als een wolf zonder maan
ik waak over eindeloze nachten
maar wie ontfermt zich over de wachter?

een hart waar geen alarmbel meer rinkelt
waar zelfs de echo reeds lang vervlogen is
zoek ik naarstig naar het moment van
ommekeer
zodat ik het graf zonder opschrift de rug kan
toekeren

laat mij mijn radeloosheid bekennen tegen
de wind
als as dat wegdwarrelt uit de urn
laat mij uit as herrijzen als ware ik Feniks

laat mij in een fris daglicht treden
bij het ochtendkrieken als dauwdruppel van
blad glijden
laat dat mijn startschot zijn


donderdag 26 november 2015

Dichterscafé november 2015

Dichterscafé november 2015 - Onderwerp:
Inferno, canto I, 22 – 27


Inleiding door Leen de Oude


"Als een die buiten adem uit de zee

de kust bereikt heeft en vandaar zich omwendt
naar 't water dat hij heeft doorstaan, en kijkt,


zo wendde zich mijn ziel ook om, nog vluchtend,
voor 'n blik naar achteren op de doortocht die
nog nooit een mens in leven heeft gelaten."


                                        Inferno, canto I, 22 – 27


In het Italiaans anno 1300:

"E come quei che con lena affannata

uscito fuor del pelago a la riva
si volge a l'acqua perigliosa e guata, 

così l'animo mio, ch'ancor fuggiva,

si volse a retro a rimirar lo passo
che non lasciò già mai persona viva."

                               Inferno, canto I, 22 - 27



Het is dit jaar 750 jaar geleden dat de dichter van La Divina Commedi
de Florentijn Dante Alighieri, werd geboren. Hij geldt als de grootste dichter die Italië,
of zelfs heel West-Europa, sinds de oudheid heeft voortgebracht.
Tijd om daar even, om meer dan één reden bij stil te staan. 
Dit magnum opus zou waarschijnlijk nooit in deze vorm ontstaan zijn als Dante, als gevolg van heftige politieke strubbelingen, niet in 1302 uit zijn geboortestad zou zijn verbannen. 
Terugkeer zou zijn dood betekend hebben. Hij is er dan ook nooit meer terug geweest en overleed in 1321 in Ravenna.

Hij heeft de ellende van de verdrevene aan den lijve ondervonden en 
daarvan geeft zijn Commedia op niet mis te verstane wijze blijk. Over (de verdiensten van) het werk als geheel wil ik het hier nu niet hebben. De versregels die ik als citaat uit het eerste deel, Inferno, 
heb bijgevoegd, lijken mij geschikt als opstapje naar de actualiteit en als inspiratiebron voor het dichtersvolk.


Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
Inferno door Leen de Oude
Bezieling door Sieth Delhaas
Anno 2015 door Tinus Derks
De as van Pirandello door Pieter Bas Kempe
‘n Blik naar achteren op de doortocht’ door Jan van Laar
Het kijkt door Violet Asseruit Mane
Gevlucht geweten door Lotte de Waard
Klein meisje met roze jurkje door Michiel van Hunenstijn
Lethe door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Overzicht door Joost Golsteyn
Alledaagse beelden door Arja Scheffer
Nog hier door Astrid Aalderink
Oude man aan zee door Cees Leliveld
Over standvastigheid door Jos Paardekooper
Havana door Maarten Douwe Bredero


Gedichten zonder vastgesteld thema

Genealogie van het geweten door Neletta van Heuven
Woede door Niels Klinkenberg
In stilte door Alex Gentjes


Voor de bijeenkomst van 29 december kunt u zich laten inspireren door onderstaande zin uit het 
Sonnet van P.C. Hooft:
'Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag' 

Dit thema is ingebracht door Jos Paardekooper.

Graag tot dan, namens Herman, Jos en Arja!

Inferno

Hoe levend kan een dode dichter zijn
als hij verdreven van zijn vadergrond
zojuist ontkomen aan een groot gevaar
de woorden spreekt die niemand graag wil horen.

Wat weet de hemel van de hellekring
de hete grond waaraan zij zijn ontstegen
Hun god blijft lang en indrukwekkend zwijgen
hun roep om hulp gaat in de nacht verloren.

Wie desondanks zijn doel weet te bereiken
komt met zijn wrede god bedrogen uit
Er klinkt een luid protest of zacht gefluister
zij zullen onze zoete rust verstoren.

Leen de Oude

Bezieling

Waarom, vraag ik me af
- wellicht stelt Dante zich dezelfde vraag –
keek hij om
naar het donk’re woud
waar nooit iemand levend
uit gekomen is?

Kan ik die mens van toen begrijpen?
de mens die bereid was
zijn leven in het licht
van iets dat goddelijk heette
te spiegelen? Hoe
staat het met mijzelf?

Ik, al zo’n twintig jaar geleden,
besloten me niet meer onder
het gehoor van welke
godsdienaar te stellen,
meen dat mijn verstand
het voor het zeggen heeft.

Sloot me aan bij wat
- een eeuw voor Dante -
een in het Duits gebied
levende abdis verkondigde:
“der Mensch ist gewaltig
an Kraft seiner Seele”.

In haar woorden
herken ik mezelf
en de zoektocht van Dante.

in die zin vraag ik me
wat is er intussen met de mensheid
gebeurd
dat deze dimensie
is verloren gegaan
uit het oog geraakt.

Als Dante buiten adem
als uit de zee de kust bereikt
en vandaar zich omdraait naar ‘t woud
waar nooit iemand levend is uit gekomen
wat bezielde hem?

Sieth Delhaas

Anno 2015

Het bloeddoordrenkte Avondland
wentelt zich in comfort zones
van uitgemergeld normbesef.

Wanhoop in het Oude Continent;
systemen worden tot problemen
in het uur van de nood.

Aangespoelde andersdenkenden
zijn dubbelhartig welkom met de
oude mantra: E.T. phone home.

En zie hun lot ten hoon aanbidt
opgezweept klootjesvolk
de goedgebekte blaarkop.

Tinus Derks

De as van Pirandello

Hem dolf zijn eiland zijn graf:
geboortig uit Caos, tot Caos weergekeerd
spleet donder de den waaronder zijn urn
geen rust vond - pas in de spleet
van de kraterwand, al eerder door donder bezocht
in Grieks-Romeinse tijd van overzee,
ruste zijn as, na een laatste overschouderse blik
op het eeuwige worstelen,
op zijn Afrikaanse zee.

Pieter Bas Kempe

‘n Blik naar achteren op de doortocht’

 (Dante)

Steeds opnieuw reikt de slimme slang verdachte appels aan.
Niet voor het laatst werd de gifbeker door Socrates geledigd
nadat hij op dubieuze gronden was veroordeeld. De
volksverhuizing in 400 was er een uit een lange reeks. De
slag bij Nieuwpoort werd voor het eerst in 1600 geleverd, en
ook de Franse Revolutie van zo’n twee eeuwen later woedt
nog altijd voort. En houd er rekening mee dat de griezelige
Hound of the Baskervilles zomaar kan losbreken.

Uitzonderlijk was het niet dat president John Kennedy door
Lee Oswald werd doodgeschoten, en wanneer de
moordenaar van John Lennon opnieuw zal toeslaan weet
niemand. Vergeet niet dat we nog altijd te maken hebben
met de haan van het verraad die op onverwachte momenten
kan gaan kraaien, in het ergste geval drie keer.

Eeuwenlang werd de Hel van Dante door velen gezien als
het archetype van elk inferno; dit gold tot 9 september en 13
maart: toen is de nieuwe toekomst begonnen, daar zitten wij
nu middenin!

Jan van Laar

HET kijkt

De tol die ik offer

heet Wet der Liefde,

zoekend naar de graal

werd ik alsmaar doffer

zodat mijn ziel zich kliefde,

het was dor en kaal.


Water kolkt om mij heen

mijn hart schreeuwt ontzield:

draai niet om maar vlucht

en voel mij van steen,

door leem werd ik geknield

kreeg amper lucht.


Ik weet mijn doorvaart stopt,

versmelten wil ik en gil luid:

adem, adem, adem uit zee

maar ‘t water slaat en schopt

en zit genageld aan een kluit,

HET kijkt, ik vraag: neem mij mee.


Violet Asseruit Mane

Gevlucht Geweten

Wij zijn allemaal migrant
Wie de ware wortels heeft getrokken
van zijn stamboom
Weet dat allang

En wie niet kan worteltrekken
moet opnieuw leren delen
En wie denkt dat hij niets kan Doen
heeft last van een gevlucht geweten

Ontnuchterende werkelijkheid
Het grote afschuifsysteem werkt overal
Oftewel bij ieder individu
Wanneer het zo uitkomt
Laten we ons geweten vluchten
Naar een veilig wit nest van gelijkgestemden

Lotte de Waard

Klein meisje met roze jurkje

Kijk ‘ns wie we daar hebben,
als dat Myeisha niet is. Wat is ze stil,
ik had haar niet gehoord, slaapt ze?
Nee, ze slaapt niet, ze wiegt een beetje,
ze wiebelt een beetje heen en weer.
Ze droomt van lang en gelukkig.
Leven is een zorg van vroeger,
alles kan ze nu vergeten.
Maar waar is iedereen?

Ze draagt, onder dat roze jurkje,
een groene broek en lila schoenen.
Ze reikt, naar wat reikt ze, naar dat visje
dat bij haar in de buurt zwemt,
zou ze dat zien? Wat is ze stil.
Myeisha! Myeisha! Ze hoort me niet.
Ze rekt zich uit in de golven,
klein meisje met roze jurkje.
Toe water, stop haar zachtjes in,
toe water, dek haar eeuwig toe.

Lethe

Vanaf de overzijde beziende de rivier waarover wind
soms kleine dan weer onstuimig hoge golven blies,
zie ik vage vormen drijven, het kabbelend water lijkt
voortdurend zacht te mompelen, hoe kan ik dit verstaan

het ruist vergeefse taal

Ongelovig kijk ik dieper, waar het water troebelt, bruist  -
dan onderscheidt zich iets, een lichaam flauw fluisterend
wat klanken die zich rijgen tot smartelijk 'geen besef', 'help'
ik reik mijn handen en til een onbekende op de oever

ze zwijgt met duistere ogen

Ik trek en duw en schud en klop, wat wil het toch, dit lijf
waarin onderhuids tekentjes als 'schuld' of 'spijt' lijken gegrift
ik schud en klop nog harder: 'spreek je uit, dan kan ik helpen',
hoor lispelend 'ik wist het niet' en wanhopig 'ik weet niet meer'

zwaar duurt de stilte

Ik streel hoewel bevreesd, haar hoofd, haar kleine handen;
ze richt zich moeizaam op en pruttelt 'ik moet weer verder',
laat zich los en drijft stroomafwaarts op de ondoorzichtige rivier
langs borden waarop ik nu pas met vaste letters zie geschreven

welkom terug aan elke Ziel

Mijn blik volgt traag de schamele gestalte, schommelend
haar buitenste en binnen, zuiverwit en schaduwrijk ineen,
en ik herken –
Aarzelend eerst, dan enthousiast wuif ik mij na.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Overzicht

als ik terugblik op de barre tocht die achter me ligt
en met een weemoedige wending van mijn vizier
het valse plat bevroed dat zich strekken zal
tot aan de einder

popel ik van ontroering om ginder gelouterd
de vruchten te plukken van het dapper
gehanteerde zwaard

voortdurend voor de leeuwen geworpen
doch met engelen op mijn jonge schouders
doorstond ik de duizendvoudige vuurdoop
door drank en vrouwen op de been gehouden

de dalen waar ik ooit uitklom
beginnen thans te glinsteren
in mijn haast haveloze ziel

Joost Golsteyn

Alledaagse beelden

Alledaagse beelden
Niet te verzinnen
ze komen lukraak bij je binnen.

Waar je je ook begeeft
ze doemen op en verdwijnen
weer, voor je het weet.

Maar niet voorgoed
deze beklijven diep van binnen
en beklemmen je gemoed.

Ik kreeg ze in het vizier
vier mannen en een peuter
één van de vier droeg het kindje
op zijn schouders
haar voetjes vrolijk bungelend
heel vertrouwd en vertrouwend op…

Waar zulle ze verblijven
en wie die om hen geeft
dat blijft beklijven
en beklemmen het gemoed

Arja Scheffer

Nog hier

Mens
was je

Met gezin, een baan en vrienden
vol plannen, dromend, sterk
als je vrouw zo naar je lachte
en je zoontje op je wachtte
’s avonds na je werk

Angst
ben je

Je gaat een lange, bange weg
voelt steeds de dreiging weer
’s nachts heb je ze opgezocht
je betaalde voor de overtocht
nu hier opeengepakt, je tong van leer

Pijn
ben je

Het afscheid dat moest stil en snel
degenen die je achterliet
je zusje in je vaderland
de neven van je moeders kant
ze wachten, maar ze weten niet

Wie
ben je ?

‘Vluchteling’ word je genoemd
je bent er een van velen
nu zonder naam, identiteit
het wordt te vol, men wil je kwijt
zal ooit je kind nog spelen ?

Mat
ben je

Wat kan een hart verdragen ?
uitgedoofd doe je nog mee
je tranen tonen ? nee, dat laat je
maar je hart huilt om je maatje
op de bodem van de zee

Astrid Aalderink

Oude man aan zee

In scherts sprak ik glimlachend tot mijn metgezel:
De zee? Die gaan wij morgen zien.
Zij (la mer, die See) ligt er dan ook nog wel.
En toen, die ochtend, betraden wij het strand
bij straffe wind en grauw, opvliegend schuim.
De zee vertoonde zich van haar nurkse, norse kant.
Geen loos gekabbel van onnoozle golfjes zagen wij
maar een hoge branding als een zwarte muur
van brekend, kolkend, grommend water.
Wij sprongen ijlings terug
om de hongerige golven te ontwijken
en staarden langdurig naar de lege einder.

Cees Leliveld

Over standvastigheid bij algemene rampspoed

Hoe voos is 't om, zoals in rampspoedtijd,
te verwijlen bij geluk van vroeger dagen
dat enkel het verkrampt gemoed verblijdt:

beproefd recept voor overvolle magen,
want er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan
dat zich volmaakt gevaarloos laat verdragen

en zich op eigen daadkracht voor laat staan;
het leven toch voltrekt zich in het ongewilde,
trekt zich van plannenmakerij niets aan

en kent geen keer dan in de droom: verspilde
tijd, geen omzien zonder wee of wrok
of zonder hartstocht die allengs verkilde.

Niets rest ons dan het tikken van de klok,
de tijd slechts dient zich onbaatzuchtig aan.
Nooit komt men verder dan wanneer en bloc

men nu juist niet meer weet waarheen te gaan.


'Er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan': vrij naar Robert Musil, De man zonder eigenschappen (Ned. vertaling, Amsterdam, 1988, p. 353) 

De slotregels zijn een aangepaste versie op: 'Nooit komt een mens verder dan wanneer hij niet weet waar hij heen gaat', toegeschreven aan Oliver Cromwell.

Jos Paardekooper

Havana

cosas sexuales, curvas redondas
pero es también la radiación
pesadez en tus ojos
cuando tú quieres tocar
como los ángeles más ligeros

sexuele dingen, geronde krommingen
maar het is ook de uitstraling
zwaar in jullie ogen
wanneer jíj wilt aanraken
zoals de lichtere engelen

Maarten Douwe Bredero

Asuntos sexuales, curvas contorneadas,
Pero que también irradian luz
Están cargados tus ojos
cuando tú quieres tocar
a esos ángeles tan livianos

(Interpretatie door Marta de Celis Casado)

Maarten Douwe Bredero

Genealogie van het geweten

Elke zomervakantie ging ons gezin naar Terschelling
Het eiland waar mijn oma woonde in haar jeugd
Ik was net vier geworden dus ik mocht mee
Oma had pijpenkrullen in mijn haar gerold
Daar was het huisje bij de zee dat heette Bellatrix
De slaapkamer van mijn ouders was beneden
Daar was een kaptafel met spiegeldeurtjes
Mijn zus zei: kom we gaan kappertje spelen
Zij was de oudste dus zij mocht als eerste
De schaar deed … kretch … kretch … kretch
Mijn pijpenkrullen vielen zachtjes op de grond
We gingen helemaal op in ons heerlijke spel
Wel gek dat ik op een jongen begon te lijken
Toen er geen haar meer te zien was, mocht ik
Ik knipte eerst  een hele lange vlecht weg …kretch
Ineens was er het geluid van de deur die piepte
De open mond van mijn moeder, de harde gil
Ik zag mijn zus die naar het raam toe rende
Dat raam stond open, ik volgde haar meteen
Daar waren de duinen waarin we ons verstopten tot
Het donker werd, toen liepen we naar huis, huilend
Daar was de tafel met alleen nog kruimels erop
De schelle stem van mijn moeder:  naar bed jullie!
De volgende dag stond mijn oma daar in de hal
Oma heette ook Neletta, ik was haar petekind
Oma leek veel groter, veel dikker dan ze al was
“Dat kind neem ik zo niet mee!” schreeuwde ze
Haar boze voetstappen, de voordeur die sloeg
Ze wou mij aan haar Terschellinger familie showen
Dat wist ik niet, ik had alleen maar gespeeld
Daar waren de grote ogen van mijn moeder
Die mij nooit meer zouden loslaten
Van toen af wist ik, zou ik weten,
… heb ik geweten

Mijn geweten is dat roodborstje
Het dient zich altijd zomaar aan
Waan ik mij zonder schuld of schaamte
Juist dan tikt ze venijnig aan mijn raam

Neletta van Heuven

Woede

Niet voor de angst ben ik het bangst:
Ik vrees dat grote meer-van-woede,
Dat vroeger al mijn onmacht voedde:
Mijn eigen woede voedt mijn angst.

Ik ken die machteloze woede:
Dat diepe meer, dat mij bedreigt,
dat zwart soms tot mijn lippen stijgt
en maakt dat in mij onvermoede

woede woedt: Ik wil dat niet,
Beheers mezelf, wil harmonie,

Maar als ik dan zo’n jongen zie,
Die zinloos daar op mensen schiet,
Onschuldig bloed dat hij vergiet
Als soeniet of als sji’iet,
Dan kolkt die woede, machteloos,
Dan wordt ik zèlf genadeloos,
Maar nee, dat kan niet! wil ik niet!

Niels Klinkenberg

In stilte

In stilte kan zij niet zwijgen
Haar woorden wegen veel te zwaar
Zij kan haar stemmen niet meer dragen
Zij vallen ’s ochtends uit elkaar

Net nog zei ze lachend
Ik weet niet meer welk woord ik ben
Zij kan haar woorden niet verdragen
Zij smelten ’s middags in haar stem

In stilte kan zij niet blijven
Haar zinnen komen tekst te kort
Zij kan haar tekens niet meer mijden
Zij missen elk complot

Net nog zag zij schrijvend
Aan het aanrecht in de zon
Haar gedichten zonder twijfel
Vertrekken van ’t station

Alex Gentjes

donderdag 29 oktober 2015

Dichterscafé oktober 2015

Dichterscafé oktober 2015 - Onderwerp:

De eerste regel uit het onderstaande gedicht.
Ik kleine slaaf van poëzie en taal,
mij was ter borst de eerste melk al schraal.
Zó droef, zó dun klonk 't moedermonds verhaal,
waar het kanon in doorklonk van Transvaal,
en zó vol tranen was het kleine lied
van bruut verraad en simpels boers verdriet,
dat, wat mij voedde, woord en melk en brood,
dit à doortrokken was van dood en dood.

(uit De holle man, 1945 van Gerard den Brabander).



Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema

Terechtwijzing door Herman Posthumus Meyjes
Ik kleine slaaf van plezier en taal door Dick Smeijers
Het delirium der schrale melk door Joost Golsteyn
Hoop doet leven door Marianne Sorgedrager-Van Halewijn
Ik kleine slaaf door Cees Leliveld
Kleine ode aan Gerard den Brabander door Pieter Bas Kempe
Metamorfosen door Leen de Oude
Melkklem door Nele Holsheimer
Poëzie als middel door Wim van den Hoonaard
Ter borst door Jan van Laar
Mij was ter borst de melk al schraal door Michiel van Hunenstijn
Grafschriften door Tinus Derks


Gedichten zonder vastgesteld thema

Nutteloos door Niels Klinkenberg
Dag pap door Astrid Aalderink
Zelfportret door Sieth Delhaas
Kerkhof door Arja Scheffer

Black & White door Maarten Douwe Bredero


Voor de bijeenkomst van 24 november kunt u zich laten inspireren door onderstaande zin:

“Als een die buiten adem uit de zee
de kust bereikt heeft en vandaar zich omwendt
naar ’t water dat hij heeft doorstaan, en kijkt,

zo wendde zich mijn ziel ook om, nog vluchtend,
voor ’n blik naar achteren op de doortocht die
nog nooit een mens in leven heeft gelaten.”.

Inferno, canto I, 22 – 27 uit La Divina Commedia, van Dante Alighieri, 
Dit thema is ingebracht door Leen de Oude.

Graag tot dan, namens Herman, Jos en Arja!

Terechtwijzing

ter attentie van de dood

Ik ben de meester van het resterend uur,
de onbetwiste koning van mijn dag.
Ik weet dat u in mij een prooidier zag.
Maar waag het niet! Raak mij niet aan met vuur.

Geen steen of ijzer snijd' de pas mij af,
geen horizon belemmere mijn droom.
Hoe vreemd het klink', ik kom pas nu op stoom.
Een wijs man wacht zijn kansen af.

Vervolg mij niet! Wacht rustig op uw beurt.
De tijd is met u; dat hebt gij op mij voor.
Geen haast! Geen klokketik gaat ooit teloor.
Mijn baan duurt voort, door wie ook goedgekeurd.

Ik zie u aan het einde van de weg.
Tot dan, wees stil, verdwijn uit mijn gezicht.
Uw jachten heeft voldoende schade aangericht.
Wind u niet op! Ik weet wat 'k zeg.

© Herman Posthumus Meyjes

Ik kleine slaaf van plezier en taal....

Steeds weer getrokken in het woordenspel
Van hoop en vrees en klaterbel
Hoor ik het stormen in mijn ziel
De onrust van het leed aan moeders borst ontsproten
Kan ik niet hakken met mijn hiel
Maar oh wat heb ik van de melk genoten
De broedertwisten in het land van ooit
Ze deren niet : ze zijn verstrooit
Het woord dat brood is en daar ligt
Geeft me vandaag dit vergezicht.

Dick Smeijers

Het delirium der schrale melk

zich zonder klaagzang
verdedigen met de andere wang
meegaan met een stroom van
veranderingen waar woorden
beitelen wat beweging
behoeft in de splijtzwam
tussen voelen en denken

onderwijzen zonder gij zult
het criterium van de ontredderde
een holle man in ons midden
die beter ziet dan we denken
sommigen verzwijgen zijn naam
anderen kijken het liefst
langs hem heen
als beschaamde wolven
die van hun moeder
de schaapskleren
aan de kapstok moesten hangen
en bibberen van ongemak

dwazen verwijten elkaar wijsheid
maar die is niet toe te dichten
zij wijkt terug waar onrecht
opduikt en vliedt naar waar
de intentie van de rechtvaardige
geest belangeloos stuift

de dronkaard zocht woord en melk
en brood als een hulpeloze baby
zuipend kruipen want voor de
zuigeling was reeds de moederborst
een druif zo zuur
het bloed kroop naar de kroeg
het bier kwam dood en dood
geslagen uit de tap

in alcohol ruist een testament
dat oud noch nieuw is
voor wie dagelijks met een kater
rake verzen najaagt
om daarna beheerst
de reageerbuizen der realiteit
aan diggelen te werpen
tegen een grote open deur

allemaal bruisende oerknalletjes
tot het lichaam op is
en de lier blijft hangen
aan de rand van het balkon

Joost Golsteyn

Hoop doet leven

Zijn leven had een valse start
hij mocht nog meedoen, maar
hoe hij ook zijn best deed
winnen kon hij dus nooit

Hij werd gehoond en leefde
immer marginaal, toch zag hij
meestal nog een lichtpunt, was
blij met ieder vriendelijk gebaar

Nu koerst hij naar de dood
streeft naar een goede afloop
want ondanks alle tegenslag of
juist daarom, bleef hij geloven

Hoe moeilijk ook de levensreis
zijn laatste adem, weet hij,
voert hem naar het echte doel
zijn duurzaam paradijs

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Ik, kleine slaaf……

Er zijn geen dagen van méér hoop of vrees
dan die laatste dinsdag van de maand
waarop een dichtersbende tijgt
naar ’t lommerrijke Vogeleiland
en des zelfs rustieke Paviljoen
teneinde daar hun meegebrachte
verzen voor te dragen
tot vermaak of hoon van het gemeen.
Ook ik, als kleine slaaf van dit illustre collectief
zeg hier maandelijks mijn versjes op
en kom zo verbaal aan mijn gerief.
Een moederborst is nooit door mij beroerd,
slechts door de fles bleef ik in leven.
In de herfst van mijn jaren
door de muzen weggevoerd
naar een plek die mij ooit was beloofd.
Een lieflijk oord, waar mooie verzen
als rijpe pruimen aan de bomen hangen
en waar het licht van poëzie en taal
nog niet door mensenhanden is gedoofd.
Toon mij die plek, zult u mij smeken:
U bent er reeds zal dan mijn antwoord zijn:
Dit eiland is mijn moederborst gebleken.

Cees Leliveld

Kleine ode aan Gerard den Brabander (1900-1968)

Jan Geerd Jofriet: geen Boerengeneraal,
ofschoon de naam kanonvuur in Transvaal
eerder dan moedermelk ter borst al schraal
vermoeden laat - geen Holle Man in taal,
een Hertog Jan van Brabant met de inkt
alsook het bier dat met de klare klinkt
veeleer, een dichter peilloos uit het lood,
vertrouwd met leven, leven, dood en dood.

Pieter Bas Kempe

Metamorfosen

De steen der wijzen
ligt hem zwaar op de maag,
maar hij blijft lachen.
Hij bereidt zijn toverdranken
in een kolfje naar zijn hand.
Achter zich weet hij
het portret van koning en koningin.
Hij raadpleegt Mercurius,
spreekt in raadselen
tot heil van het volk,
mengt honing
door zijn hete brij
en buigt behendig om.
Hij is een alchemist,
wie in hem gelooft wordt zalig.
Maar zijn vlam raakt uitgedoofd.

Ook Jezus was een alchemist:
van één brood
maakte hij er duizend.
En hij maakte wijn uit water,
op een bruiloft nota bene
en ieder kon het zien!

O goeie ouwe, voorgoed
verleden tijd,
hoe anders is het nu,
nu klatergoud in blik verandert,
de gasbel in een struikelblok
en uw polis in woekerend onkruid.

Ik word mijn eigen alchemist,
verander wijn gewoon in water,
sla de kolf in stukken.
Ik word van kwaad
tot erger en maak
van een mug een olifant die
door de porseleinkast dendert.
Dan ben ik weer gelukkig
met de scherven                  
als de vlam is uitgedoofd.

Leen de Oude

Melkklem

beu van geweeklaag
over schrale melk en
bittere suikerbergen
waarom die warme ronde
moederbollen verwijten

luilekkerland zoeken
en pijnigen uit wraak
met knijpers touwen
kettingen en andere
onwelvoeglijkheden

schraalheid schraler
bitterheid bitterder
oude piepende deuren
blijven wanhopig achter
bij bierschuimresten

dichters van elk geslacht
en alle leeftijden zoek
magische woorden die
zoete melk in overvloed
doen troostend stromen

strelend oorgefluister
witte zwanen druiventrossen
kussentjes als mollig mos
ik zoetelief jij hartendief
ik hartendief jij zoetelief

wie de gewiekste kiekendief

Nele Holsheimer

(met dank aan Lucebert)   

Poëzie als middel

Tussen droom en daad
(waar de doodse drempel
ligt en de diepe durf staat)
durft de drank
te duelleren
met de dichter
en zijn dorst

dorstig of dronken dromend
in draaglijke middelmaat

en doordrongen
van de drempels
dienaangaande
en het denken
aan het drinken
sinds de borst…

Wim van den Hoonaard

Met dank aan Willem Elsschot voor zijn zin ‘Tussen droom en daad’, (uit: ‘Het huwelijk’)

Ter borst

Mij was ter borst de eerste melk al schraal,
wel droevig, al was dát toen vrij normaal:
een kind gaf meestal zorgen en verdriet,
en kinderbijslag, die bestond nog niet.

Mijn voorkeur ging al gauw uit naar de fles
met vocht dat zelfs de diepste dorsten lest
van wie de moederborst voorgoed ontgroeid is
en door spiritualiteit geboeid is.

Mij was ter tepel bier nog niet bekend,
nu droom ik van een borst die mij verwent.

Jan van Laar

Mij was ter borst de eerste melk al schraal

Moedermelk, poepluier, huilbaby, slaaptekort,
Zuigeling, talkpoeder, Fisher-Price, erfgenaam
Brabbeltaal, rammelaar, borstkolver, tepelkloof
Uierzalf, groeistuipje, rode hond, rompertje.

Prenatal, allergie, darmkrampjes, Olvarit
Fopspeentje, babyfoon, pappadag, trappelzak
Traphekje, spuugdoekje, draagmoeder, slabbetje
Eerste lach, mazelen, Downsyndroom, uitgescheurd.

Navelstreng, babyboek, Blije Doos, eerste poep,
Wiegedruk, moederkoek, Nutrilon, kraambezoek
Billenkoek, oeiikgroei, plaspotje, ooievaar,

Boerenkool, barenswee, M.G. Schmidt, bakermat,
Wipstoeltje, traphekje, Zwitsalzalf, namenboek,
WoezelPip, muisbeschuit, kraamschudden, wiegedood.

Michiel van Hunenstijn

Grafschriften

voor een vegetariër
Hij voedde zich tot aan zijn dood
Met rijstepap en korsten brood.
Men noemde deze magiër
Vleesgeworden vegetariër

voor een profvoetballer
Als spits was hij voor elk te snel
Nu ligt hij eeuwig buiten spel

voor een masochist
In deze veel te krappe kist
Rust een tevreden masochist

voor een violist
Uitgestrekt en uitgestreken
Mist hij het herhalingsteken

voor een digibeet
Hij was voor de pc een zweter
Maar voelt zich nu veel digibeter

voor een tandarts
Hij plaatste menig implantaatje
En vult nu hier zijn laatste gaatje

voor een boekbespreker
hier rust de rest van vorm en vent
van ’n uitgelezen recensent

voor een boeienkoning
in deze tombe hier en nu
heeft hij een pijnlijk déjà-vu

voor een dove
Ook hier mist hij een welkomstwoord
Vindt dus zijn rustplaats ongehoord

voor een blinde

In deze kist verbaast ’t hem niet
Dat hij geen hand voor ogen ziet

Tinus Derks

Nutteloos

Bijna met pensioen en niet meer nuttig
zit ik zuchtend achter mijn bureau.
wat ik bijdraag is pietluttig;
van bedenkelijk niveau.

De jeugd passeert. Aan hen de toekomst!
ik kom achter aan de rij.
’s Avonds na mijn late thuiskomst
besef ik: ik draag niet meer bij…

Ooit mat ik mijn eigenwaarde
aan wat ik bijdroeg aan ’t geheel,
maar na verloop van zoveel jaren
is dat echt niet meer zoveel.

“In het zweet –toch- uwes aanschijns
verdiene u uw daaglijks brood!”
maar, zo is het dat ik nu peins,
waar heb ik het dan toch verkloot?

Zweten doe ik al tuinierend,
dichtend slechts voor mijn plezier,
nutteloos het leven vierend,
drink is ’s avonds mijn glas bier.

En als ik de jeugd zie werken,
voor hun zeer verdiende poen,
moet ik dagelijks bemerken
dat ik niets voor hen kan doen.

“Is dat erg?” Vraag ik wat later,
in mijn uiterste simplisme
aan mijn vriend, de psychiater,
“of is dat louter calvinisme?”

“Ach,” zegt hij “dat eeuwig streven,
leidt slechts tot teleurstelling.
het gaat toch meer om goed te leven.
Nuttig zijn is niet zo’n ding;

Leef je leven, ga genieten,
denk niet aan je werkeloosheid,
laat peinzen over nut maar schieten,
jouw nut zit in je nutteloosheid!”

Niels Klinkenberg

Dag pap

Ik stop een kastanje in mijn zak
zo’n glanzend glad mahoniebruine
dat deed mijn vader ook
het brengt geluk

Met rode wangen pluk ik dan
de laatste paarse bramen
in gouden licht
mijn dag kan niet meer stuk

Ik hou zo van de kleuren
ik hou zo van de herfst
die warm oranje gloed
boven de hei

Ik hou zo van het bos
van vroege mist en van magie
ik hou meer van oktober
dan van mei

En hij hield van de lente
en zoveel seizoenen later
voel ik in mijn zak en is hij
zomaar onverwacht dichtbij

Astrid Aalderink

Zelfportret

Een vrije vogel noem ik me -
nadat mij allen zijn ontvlogen
kon ik voor het eerst
mijn eigen kant op gaan

Voor het eerst een eigen hol gegraven
hoog boven stad en straat
voor ‘t eerst eens een voorzichtig pogen
te doen wat mij ten diepste raakt

Van huis uit te veel meegekregen
de halve wereld op mijn nek
is het nu tijd te peinzen over
wat het leven zelf mij reikt

Maar nee - vanuit mijn hoge zetel
zie ik ze komen vluchtenden
halsstarrig blijft men ze zo noemen
terwijl het volksverhuizers zijn

Kan ik wel blijven in mijn toren
welke tijden luiden ze in? -
voor mij zijn ze te laat gekomen
hun lot niet passend bij dat van mij

Mijn zijn is vol met al datgene
wat de twintigste eeuw me bracht
niet te vergeten de vijftien van deze
die de tijd mij te denken gaf

Ik wil gaan dichten
moe van het al - spelen met woorden
rustig ontdekken wat in mij tracht
naar dat wat nog te talen valt.

Sieth Delhaas

Kerkhof

                            (haiku 9x)

kerkhof in nevel
vruchten van de eikenboom
ketsen op de steen

schimmel in de lucht
vormt mos tussen de voegen
gebladerte zucht

dampend in het gras
de voeten lichtjes verend
tussen de zerken

de blik naar boven
gericht op het strakke blauw
even ademloos

een geluksgevoel
in twee werelden te zijn
van dood en leven

als voortgevloeid uit
wat was en niet is geweest
of melancholie

tranen te over
uit ongrijpbare diepten
stromen ze neerwaarts

huid glinstert erdoor
in ’t licht van die ochtendzon
opgeruimd gemoed

een roodborstje hipt
van taxushaag naar grafsteen
zou hij me zoeken

Arja Scheffer

Black & White

Vannacht dan weer swingende muziek
met grotere variatie en betere ritmiek
Het publiek is ook zwarter en danst erop los
naast negers ook mediterranen binnen dit gros

Klanken soms origineel of als cover gedaan
het rappen alomvattend tast menig nummer aan
Scherven glas op de vloer plakken aan mijn schoen
teksten op het scherm getuige linguïstisch visioen

Zie daar twee Barbie dolls lieflijk zij aan zij
perfectly strapped en alles slank op een rij
Verfijnde gezichten boven soepele gebaren
ene hoogblond de ander ravenzwarte haren

Immer uiterlijke schijn zo vluchtig als wat
over enkele uren met de dag komt het gat
Anderzijds een crowd van blanke kleur bij elkaar
toont doorsnede van maatschappij o zo waar

Als jonge middenmoot van Neerlands volk
mixen deze kiddos zonder enige tolk
Muziek moet het zijn die onbewust verbroedert
voorkomt dat onze jeugd überhaupt verloedert

Maarten Douwe Bredero

woensdag 30 september 2015

Dichterscafé september 2015

Dichterscafé september 2015 - Onderwerp:

Inleiding tijdens de bijeenkomst door Joost Golsteyn
(uit Mysteriën, 1892/ Knut Hamsun).

Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
30 jaar na dato door Joost Golsteyn
Vermoedelijk stak er een liefdesgeschiedenis achter door Cees Leliveld
Liefde in het spel door Tinus Derks
Brand New Day door Maarten Douwe Bredero

Copy Cat door Neletta van Heuven
Holger Drachmann door Niels Klinkenberg
Wat er achter stak door Herman Posthumus Meyjes
Take this Waltz door Arja Scheffer
Balkonscène door Alfred Bronswijk
Het oude liedje door Wim van den Hoonaard
Kwestie door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Woordenstrijd door Wil Fraikin
Er stak wel wat ja door Lotte de Waard

Sprookje door Astrid Aalderink
Emily Dickinson door Pieter Bas Kempe


Gedichten zonder vastgesteld thema
Adviezen voor de lange tocht door Jan van Laar
De dansende zwerver door Nele Holsheimer
Aylan door Dini Kim-Roubos

Voorafgaand en gedurende door Lotte de Waard


Voor de bijeenkomst van 27 oktober kunt u zich laten inspireren door onderstaande zin:
Ik kleine slaaf van poëzie en taal, mij was ter borst de eerste melk al schraal” 
(uit De holle man, 1945 van Gerard den Brabander). 
Dit thema is ingebracht door Herman Posthumus Meyjes.

Graag tot dan, namens Herman, Jos en Arja!

30 jaar na dato

een levenslam zwerverslichaam
ligt languit op de stoep
ergens in een metropool
omhuld door warme vodden
de baard met korsten vol
een leeg pak wijn
gekoesterd aan de borst
als ware het een kindje
smachtend naar het verleden
de dorst naar aalmoezen
gesmoord in korsakov

rondom het vege lijf
walmt de alcohol herinneringen op
aan zwoel voorgedragen negentiende-eeuwse
poëmen beduimeld en bemorst met bier
aan trance in een kelderclub
piano spelen met het meisje
van zijn dromen de krullen zo zwart
de lippen zo vol de stem zo Boheems

rivier die watertorsend voortdendert
over een bedding van bitter afscheid
maar een liefdesgeschiedenis kun je niet vergeten
goedkope hotelkamers
krakende liften roodfluwelen bioscoopstoelen
zo rood als haar lippen zo vol
en de filmsterren zo magisch op het grote doek
haar nachtzwarte krullen
en de wijn gulpt en vloeit zo rijk
niet meer weten wat er om je heen gebeurt
het kan je niet meer schelen
maar één ding weten
verstrengeld doordromen
en je wilt zoenen op een stoeprand in de nacht
en naar redding happen uit een pak wijn
terwijl je af en toe zelfs haar naam vergeet
omdat ook die er niet toe doet
en wat was roder de wijn of haar lippen
en wat gitzwarter haar ogen of de krulletjes in haar nek

en op de stoep de verloren oude man
zijn roes uitwasemend
drankzinnig van verlangen
koesterend een leeg pak wijn
als ware het een kind
hij alleen weet nog
wat er achter steekt

Joost Golsteyn

Vermoedelijk stak er een liefdesgeschiedenis achter

(Of: Den Haag Centraal)

Wat toevallig dat ik u weer tref!
U reist ook regelmatig naar Den Haag Centraal?
Deze trein van 09.32: dat is precies de goeie,
geen gedoe met overstappen, de ochtendspits voorbij.
Beschaafd publiek, zeker in de eerste klas!
U reist waarschijnlijk ook voor zaken naar Den Haag?
Ach, u wordt gedreven door een innerlijke drang?
U  komt ook uit Den Haag…daar lang gewoond?
Ja, ik zelf ook. In de jaren zeventig vertrokken...
U doorkruist de stad te voet, op zoek……
Op zoek en…in de hoop dat….
Het zijn herinneringen die u voeren naar Den Haag…
Die heb ik ook maar die van u
gaan over iets speciaals of over iemand die…
Ach, u hoopt op een ontmoeting?
En dat na zoveel jaar?
U keert weer terug naar uw verleden;
dringt binnen in het Haags decor
in de stille hoop dat zich een wonder zal voltrekken…
Nou, kijk eens aan, we zijn er al…
Den Haag Centraal en mooi op tijd.
Uw route voor vandaag al uitgezocht?
Ja, ja, ik ken die wijk. Heb daar vlakbij gewoond.
Ik zou dat nieuwe winkelcentrum eens proberen…
Stel, stel dat u haar ziet vandaag….
Wat dan?

Cees Leliveld

Liefde in het spel

Als fris de frammel huiswaarts huikelt
en niettemin de kwatel kwakt.
Als strak de strangel waterduikelt
en toch de likkebaard verlakt.
Ja, dan besef ik razendsnel:
Hier is liefde, hier is liefde,
hier is liefde in het spel.

Als schimschuim door de aders suizelt
en ook de hotel hoort zijn glei.
Als zelfs de tranentrekking guizelt
en pretboy premelt kostenvrij.
Ja, dan bericht ik punt NL:
Hier is liefde, hier is liefde,
hier is liefde in het spel.

Als elke dag de stalok stingelt
maar manlief daarentegen dolt
Als steeds zijn lief kritiekloos kringelt
en bovendien zijn wapser wolt.
Ja, dan snap ik echt zo'n stel:
Hier is liefde, hier is liefde,
Hier is liefde in het spel.

Nu mijn wispel weldra teistert
en de keu de bal ontschiet.
Nu mijn jartbil plenty pleistert
en de levensnevel vliedt.
Nu is wat ik rondvertel:
Hier is liefde, hier is liefde,
hier is liefde in mijn spel.

Tinus Derks

Brand New Day

Nevel over de weiden
alles van tijdelijke aard
Wat zij ook zeiden
gevoel en materie lijkt evenveel waard
Hier en daar enig verkeer
en de tranen hiermee gepaard
haar als allerliefste krijgt hij nimmer weer

Zie een rennend paard
en die koe kijkt braaf toe
Een tafereel als op vele plekken
maakt alles minder gedoe
dat hij nog is nergens geaard

Landwegen buigen krom
schieten elegant langs zijn spoor
Was het nu dom
of had hij echt niets door

Nu voorbij een bos vol met zinderend licht
Op weg richting onvoorziene kansen
de ochtendzon verplicht

Maarten Douwe Bredero

Copy Cat

Ze zaten aan een tafel in ’t café
Ze keken strak en bozig naar elkaar
’t Boeide mij dus luisterde ik mee
Met haar tirade was zij geenszins klaar

En gisteravond dan? bevraagt zij zuur
Kantoor was donker, ben je mij nog trouw?
Hij zucht en herbeleeft zijn heerlijk avontuur
Peinst hoe zich te bevrijden van zijn vrouw

Die avond laat bewandel ik de IJsselbrug
De kadelichtjes klotsen op het water
Daar staat een man, ik zie hem op de rug
Gebukt, alsof hij kotste van een kater

Maar nee, hij hijst een koffer op de railing
Ik loop er langs, herken hem van ’t café
Een plons! Het water toont een ronde streling
Aan het einde van de brug …  daar start een BMW

Een vrouw, niet opgegeven als vermist
In koffer aangespoeld aan Worpse IJsselkant
Politie Deventer vermoedt: een liefdestwist
Liep na cafébezoek dramatisch uit de hand        

Holger Drachmann

Nabij Skagen in de duinen
              Weggestopt als monument
Ligt een graf van grote keien
              Dat geen noorderling meer kent.
Op de grafsteen staat een bordje
      dat verwijst naar romancier
Holger Drachmann, daar begraven,
      Als de Zanger van de Zee…
Eenzaam op het noordlijkst puntje,
     Waar de zeeën oost- en noord-
Schuimend botsen, ligt de zanger
     Waar ik nooit van had gehoord.
Maar een dichter, dáár begraven,
             En als Zanger zeer bekend
Moet toch als poëtisch dichter
     Ook door mij worden gekend!
Flux naar antiquariaten
             Drachmann kent men daar meteen:
Ik kocht er zeven kloeke delen…
    Maar, ocharm, hij was een Deen…
Maar een zanger van de Zee:
    Die móét ik lezen; ’t kan niet deren
Dat ik daarvoor weer naar school
    In de banken Deens moet leren…
Maar helaas, na les of drie
    Blijk ik voor leren toch te lui
En geef met spijt en pijn in’t hart de
    Deense lessen snel de brui.

Sindsdien staat hij ongelezen
            In mijn kast maar desondanks
Hoor ik zacht zijn Zeese Zangen
    Ik loop er graag nog daaglijks langs…

Niels Klinkenberg

Wat er achter stak

of de Waddenzee

Slechts u heeft mij geleerd het uur
te proeven als ware het één ogenblik.
Niemand heeft mij de ogen zo geopend
voor de vluchtigste seconde,
als ware het een eeuwigheid –-
niets dan de verwachting, de verwondering
en het ongeduld, en uw oogopslag
waarin alles leek op te lossen
en waaruit elke onzekerheid verdween,
als bij toverslag.

Slechts u trok de lijnen die grenzen waren
en richtingwijzers voor mijn loop,
lijnen waartussen wij bewogen
en die paal en perk stelden aan mijn zwerflust –-
mijn hart een waddenzee van platen en slikken,
kwelders, muien en zwinnen, en rollende brekers.
Daarachter ging schuil het perspectivisch
verdwijnpunt dat ik koesterde en liefhad,
als belichaming van u zelf
en hetwelk ik 's-avonds knielend
hield omvat.

© Herman Posthumus Meyjes

Take this Waltz

Hoopvol staat ze daar te wachten
op één van de perrons in Arnhem.
Ze is alleen met haar gedachten,
vermoedelijk aan hem,
wanneer ze even opveert, terwijl zoevend
een zilvergrijze trein arriveert
Het is zo’n internationale,
met Wenen als reisdoel.

Wat zou ze er gaan halen,
een wals misschien?
De gedachte alleen al
geeft haar een goed gevoel.
Eenmaal onderweg kan ze niet laten
het boek voor de zoveelste keer in te zien,
of eigenlijk direct de laatste bladzijde
om zich door zijn handschrift te laten verleiden.
Haar Christoph, met wie ze de liefde voor boeken deelde
maar vermoedelijk ook die voor elkaar.
Ondertussen razen landschappen voorbij
maar zij ziet slechts andere beelden
wellicht het weerzien van hun bei.
Nog één moment,
en ze staat weer oog in oog met haar antiquaar.

Spannend is het tegelijkertijd,
wat als hij haar niet herkent?
Wat als…..?
maar plots draait hij zich om, afgeleid,
hij pakt haar vast en neemt zijn wals!

Arja Scheffer

Geïnspireerd door het NS reclamespotje,
met het lied “Take this Waltz” van Leonard Cohen 
https://www.youtube.com/watch?v=zjekn0_rFZ8

de tweede is een persiflage op de eerste
https://www.youtube.com/watch?v=jaAgnS8PR10.

Balkonscene

Nooit was verlangen triester als die avond,
toen bloedend licht zich plooide om 't balkon.
Daar lag een jongeling, bleek en gehavend,
in tranen, zich aan duister denken lavend,
vanwege zielenpijn en testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon
De vermoeide leden zijwaarts uitgestrekt
uit intens dorsten naar de koele dood.
Zo wist hij zich verraden, voorgoed genekt.
Vergaan zelfs, als een diep gezonken vloot.
Verloren in de verlate avondzon.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon

Traanbedekt deed hij vermoeid zijn  ogen dicht
weer zag hij, nog in zichzelf verzonken,
die brief, die brief van dat ja verdomde wicht
aan wie geld en ziel was weggeschonken
bij het schuimend brassen van testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon.
Voordat de duisternis had toegeslagen,
sprak zijn mond, een ademtocht, zelfs zachter:
Hier steekt vermoedelijk - niet te verdragen! -
toch een liefdesgeschiedenis achter!
Wat moet mijn zielenpijn, mijn testosteron,
met om mijn hals een doek van zwart chiffon?

Nooit was verlangen triester als die avond,
toen bloedend licht zich plooide om 't balkon.
Daar hing de jongeling, bleek en gehavend,
te hangen in de schaduw van de zon,
vanwege zielenpijn en testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon

Alfred Bronswijk