donderdag 26 februari 2015

Drie ballades


Ballade des Dames du Temps Jadis                                                                                                      
Dictes-moy où, n'en quel pays,
Est Flora la belle Rommaine,
Archipiades, ne Thaïs,
Qui fut sa cousine germaine,
Echo, parlant quant bruyt on maine
Dessus riviere ou sur estan,
Qui beaulté ot trop plus qu'humaine.
Mais ou sont les neiges d'antan ?

Où est la tres sage Helloïs,
Pour qui  chastré fut  et puis moyne
Pierre Esbaillart a Saint-Denis?
Pour son amour ot ceste essoyne.
Semblablement, où est la royne
Qui commanda que Buridan
Fust geté en ung sac en Saine?
Mais ou sont les neiges d'antan?

La royne Blanche comme un lis
Qui chantoit à voix de seraine,
Berthe au grand pié, Bietris, Alis,
Haremburgis qui tint le Maine,
Et Jehanne, la bonne Lorraine
Qu'Englois brulerent a Rouan;
Ou sont-ilz, ou, Vierge souvraine?
Mais ou sont les neiges d'antan?

Prince, n'enquerez de semaine
Ou elles sont, ne de cest an,
Qu’a ce reffrain ne vous remaine;
Mais ou sont les neiges d'antan ?

François Villon


Ballade Van De Dames Uit Vroeger Tijden

Zeg mij: waar, in welk ver domein
Is Flora, die schoon van gezicht was;
Archipiades, rank en fijn
En Thais, die haar volle nicht was
Nimf Echo die tot zang verplicht was
Als men haar riep langs stroom of meer
En die goddelijk slank en licht was
En waar is de sneeuw van weleer

Heloise, ach waar is zij
Die zo schoon was en veel verstand had
Abelard trok de monnikspij
Voor haar aan, toen men hem ontmand had
En de Vorstin die een galant had
Buridan, die zij zonder meer
In de Seine wierp als een landrat
En waar is de sneeuw van weleer

Vorstin Blanche, die blank als ijs
Met haar stem menig man bekoord heeft;
Berthas, Alice en Beatrijs;
Arembourg voor wie 't Maine-oord beeft;
En Jeanne die men wreed gesmoord heeft
Ginds in Rouaan, bij 't Britse heir
Maagd, weet Gij waar elk hunner voortleeft
En waar is de sneeuw van weleer

Oh Prins, verklaar mij waar hun woon is
Want anders zing ik keer op keer
Deze keerzang die droef van toon is
Ach, waar is de sneeuw van weleer

Ernst van Altena


Ballade van de kindertijd

Zeg mij: waar, in welk ver domein
is Dik Trom,die van groot gewicht was:
Pietje Bel, die er ook mocht zijn;
Donald Duck, die als oom te licht was.
Sjors, die met spijt verplicht was
te zien dat Sjimmie zwart als teer
bij de meisjes veel meer in zicht was.
En waar is het kind van weleer?

Kap'tein Rob, zeg ons waar is hij,
deze zeerob, die nooit het land had?
Ollie B., die in onheilstij
met Tom Poes steeds 'n sterke band had.
En Paulus, die in 't bos een pand had;
de boze wolf die steeds maar weer
de drie biggen haast in zijn hand had.
En waar is het kind van weleer?

En Sneeuwwitje, die blank als ijs
zeven dwergen alom bekoord heeft.
Waar is Holle Bolle Gijs,
die van lijnen nog nooit gehoord heeft.
Het eendje dat als zwaantje voortleeft;
Moeder de Gans, die keer op keer
naar 'n welluidend slotakkoord streeft.
En waar is het kind van weleer?

Toe, zeg mij toch waar deze schare
gebleven is als ik beweer,
dat ze voor mij echt helden  waren .
Ach, waar is het kind van weleer?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.